PlusAchtergrond

De strijd tegen nepnieuws: ‘Er is sprake van een geloofscrisis’

Beeld Nastia Cistakova

De toenemende populariteit van complottheorieën werpt de vraag op hoe desinformatie en nepnieuws bestreden kunnen worden. Ligt hier een taak voor de overheid, moeten we hopen op ingrijpen door bedrijven, of moet de journalistiek met een antwoord komen? ‘Dit gaat over een geloofscrisis.’

Het gebeurt niet vaak dat een ­minister zich ­bemoeit met de indeling van de schappen in winkels. En toch kon minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren het vorige week tijdens een debat in de Tweede Kamer niet laten om de AKO en de Bruna een ongevraagd advies te geven over waar zij het omstreden blad Gezond Verstand neer moeten leggen. “Ligt het naast de Fabeltjeskrant dan kan ik me er iets bij voorstellen, maar ik zou het niet bij de medische literatuur leggen.” Maar of het wijsheid was dat het blad vol ‘alternatieve feiten’ überhaupt verkocht wordt, wilde ze niet hardop zeggen. “Daar ga ik niet over.”

Zie hier het terugkerende dilemma dat zich aandient in de strijd tegen nepnieuws, desinformatie en de verspreiding van complottheorieën. De overheid kan het moeilijk verbieden en spreekt bedrijven aan op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Bedrijven wijzen terug naar de overheid en zeggen: wij houden ons aan de wet, en zo lang die het niet verbiedt, verkopen wij het blad. Ergens daar tussenin zit een groot grijs schemergebied waarin termen als ‘censuur’, ‘vrijheid van meningsuiting’ en het diffuse begrip ‘waarheid’ vrijelijk ronddansen.

De verspreiding van nepnieuws is een serieus probleem, zoveel is duidelijk. Het ondermijnt het vertrouwen in instituties, beïnvloedt de uitslag van verkiezingen en leidt zelfs tot geweld. Vorige maand waarschuwde de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) in zijn dreigingsanalyse nog voor het verspreiden van complottheorieën, onder meer over corona. Het versterkt polarisatie en ‘verlaagt de drempel voor extremistisch gedrag’, stelde de NCTb. 

Wat het allemaal nog ingewikkelder maakt is dat ‘nepnieuws’ nogal een containerbegrip is waarin heel veel past: van Russische trollen­fabrieken die het onderzoek naar de MH17 frustreren en QAnon-aanhangers die beweren dat Hillary Clinton bij het ontbijt een glaasje ­babybloed leegdrinkt, tot Lange Frans die over graancirkels praat en acteur George van Houts die beweert dat de aanslagen op het WTC een ‘inside job’ waren. Waar eindigt het stellen van kritische vragen en begint de verspreiding van nepnieuws? En wie bepaalt waar die grens ligt?

Aleksej Navalny

In het geval van Gezond Verstand, het blad van voormalig NRC-journalist Karel van Wolferen dat vol staat met dubieuze claims over het coronavirus, het klimaat en de vergiftiging van de Russische activist Aleksej Navalny, is niet zo eenvoudig te zeggen of er juridische grenzen worden overschreden. “Ik denk het eigenlijk niet, daarvoor is het allemaal te algemeen ­gesteld,” zegt emeritus hoogleraar en mentaliteitshistoricus Henri Beunders. “Je kunt je ­sowieso afvragen hoe wenselijk het is als wettelijk wordt vastgelegd wat wel en wat niet geschreven mag worden. Niet voor niets is een paar jaar geleden het verbod op godslastering uit de wet gehaald.”

Nummer 1 van het blad Gezond Verstand.

Nederland kent het verbod op laster en smaad, en discrimineren, opruien en aanzetten tot ­geweld mag evenmin. Maar het ontkennen van de Holocaust, wat in andere Europese landen verboden is, is hier wel toegestaan. En in Frankrijk is het verboden om in de dagen voorafgaand aan verkiezingen peilingen te plaatsen. Kortom: hoe groot de juridische marge is waarbij je alles mag publiceren, verschilt per land. 

Beunders onderscheidt, naast verbieden, vier andere methoden om als maatschappij de verspreiding van complottheorieën tegen te gaan, elk met hun eigen beperkingen. “Je kunt het ­negeren, doen alsof het niet bestaat. Een andere mogelijkheid is satire: het belachelijk maken van complotdenkers. Het is de vraag of dat helpt, of dat je mensen juist sterkt in hun overtuiging. Verder kun je de beweringen tegenspreken en veroordelen. De laatste en beste methode is om onzinclaims niet tegen te spreken, maar er een beter, geloofwaardiger verhaal ­tegenover te zetten.”

Frits van Exter, voorzitter van de Raad voor Journalistiek, denkt ook dat verbieden van desinformatie een heilloze weg is. “Zolang er geen sprake is van racisme, laster of smaad, is dat heel lastig. Het verspreiden van onzin valt nu eenmaal ook onder de vrijheid van menings­uiting. Het enige antwoord op nepnieuws en desinformatie is goede journalistiek.”

Geloof in wetenschap

Maar volgens Beunders is de groei van het aantal complotdenkers niet te stuiten met factcheckrubrieken. “Dit gaat veel dieper en is wijdverbreid: er is sprake van een geloofscrisis. We leven in een heel onzekere tijd en weten niet meer wat waar is. Het geloof in God heeft plaatsgemaakt voor geloof in wetenschap, maar zoals de coronacrisis laat zien, geeft de wetenschap ook geen eenduidige antwoorden.”

Waar de AKO en de Bruna de aandrang niet voelden om als scherprechter op te treden in het drassige debat over waar kritisch denken overgaat in complotdenken, doen grote platforms als Twitter, Facebook en YouTube dat wel. Zo werd het complete YouTubekanaal van rapper en complotdenker Lange Frans verwijderd en plaatst Twitter disclaimers bij berichten waarin onbewezen beweringen over corona worden gedaan. En bij een serie tweets die Donald Trump de afgelopen dagen verstuurde stond te lezen dat die ‘in twijfel (worden( getrokken en mogelijk ­misleidend (is) over de manier waarop je kan deel­nemen aan verkiezingen’. Het account van Steve Bannon, voormalig politiek adviseur van Trump, werd zelfs helemaal opgeheven wegens aanzetten tot geweld. 

Dat de grote socialemediabedrijven zich ­bemoeien met de inhoud was lange tijd geen vanzelfsprekendheid. Jarenlang weigerden ze verantwoordelijkheid te nemen met het argument dat zij slechts een platform boden, maar geen uitgever of redactie waren. Dat bleek onhoudbaar toen op YouTube onthoofdingsfilmpjes van IS werden geplaatst en op Facebook mensen hun eigen zelfmoord filmden. “Uiteindelijk zijn ze gezwicht voor de macht van adverteerders. Coca Cola wil niet dat hun reclame voor een IS-film staat,” zegt hoogleraar nieuwe media aan de Universiteit van Amsterdam ­Richard Rogers. En dus namen Facebook en Twitter mensen in dienst die de platforms ‘schoon’ moeten houden. “Maar bepalen wat wel en wat geen desinformatie is, is heel erg lastig. Je kunt dat niet automatiseren, en er zijn simpelweg teveel berichten om die allemaal door mensen te laten checken.” 

Zakelijke afweging

Beunders is sceptisch over de motieven van bedrijven die nepnieuws weren. “Ik geloof er niets van dat zij een autonome morele houding ­aannemen. Ze geven hoog op over maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar uiteindelijk maken ze gewoon een zakelijke afweging.” ­Bovendien: “Je wilt ook niet dat Mark Zuckerberg gaat bepalen wat waar is en wat niet,” voegt Van Exter daar aan toe. 

Volgens Rogers kampen techbedrijven met twee tegengestelde belangen: enerzijds willen zij geloofwaardig zijn en niet bekendstaan als het platform waarop gevaarlijke onzin te zien en te lezen is, anderzijds weten ze ook dat om de aandacht van gebruikers vast te houden, het loont om zo scherp mogelijke content aan te bieden. “Op die manier dragen ze bij aan het mainstream maken van marginale opvattingen,” zegt Rogers. “En er is nou eenmaal een grote markt voor desinformatie: dat bewijst de populariteit van een blad als Gezond Verstand.”

Hoe om te gaan met complottheorieën is ook een dilemma voor de journalistiek, ziet media-ethicus Huub Evers. “Doodzwijgen is geen optie, dat versterkt het toch al sluimerende gevoel dat er geen plek is voor kritische geluiden en dat de media de spreekbuis van de overheid zijn. Maar het ontmaskeren van leugens en het weerleggen van onzinbeweringen is een belangrijke taak voor de journalistiek. Een taak die te ­belangrijk is om over te laten aan techbedrijven of tijdschriftenketens. Al blijft het wel de vraag of je hiermee de mensen bereikt die geloven in samenzweringstheorieën.”

AKO en Bruna boycotten

Als ingrijpen van de overheid onwenselijk is, we niet mogen rekenen op het morele kompas van grote bedrijven en het bereik van de in sommige kringen zo verguisde ‘mainstreammedia’ ­beperkt is, blijft de burger over. Heeft die een verantwoordelijkheid of machtsmiddelen om de verspreiding van desinformatie tegen te gaan? “Natuurlijk,” zegt Beunders. “Een boycot blijft een heel effectief middel. Als er een breed gedeelde oproep komt om niet meer naar de AKO of de Bruna te gaan omdat ze Gezond Verstand verkopen, of om Twitter en Facebook te verlaten omdat er nepnieuws wordt verspreid, dan komen die bedrijven onmiddellijk in actie. Maar kennelijk is de maatschappelijke verontwaardiging niet groot genoeg.”

En dus lag de tweede editie van Gezond ­Verstand deze week gewoon in de kiosk. Enig verschil: de vermelde oplage die op de cover ­vermeld stond was wel een stuk kleiner dan bij de eerste uitgave: in plaats van 1 miljoen exemplaren waren het er nu 100.000. Maar ook dat is een claim waarvan de waarachtigheid lastig te achterhalen valt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden