Interview

De Oekraïense dichter Ilja Kaminsky fantaseert erover: ‘Wat als het hele land doof zou zijn, net zoals ik?’

De Oekraïense dichter Ilja Kaminsky (1977) werd geboren in Odessa, maar woont sinds 1993 in de VS. Tot zijn zestiende was hij volledig doof. Op poëziefestival Poetry International zal hij voordragen uit zijn bundel Deaf Republic.

Dieuwertje Mertens
De Oekraïense dichter Ilja Kaminsky. Beeld Tineke de Lange
De Oekraïense dichter Ilja Kaminsky.Beeld Tineke de Lange

Deaf Republic opent met een gedicht over Petja: een dove jongen die door een soldaat op een plein wordt neergeschoten. De hele gemeenschap besluit te protesteren door te weigeren de autoriteiten te horen (let op: dat is niet hetzelfde als weigeren te luisteren). Ze communiceren aan de hand van gebarentaal, sommige tekens zoals het teken voor ‘stad’, zijn opgenomen in de bundel. Te midden van dit geweld worden mensen verliefd, ze lachen en ze maken kinderen.

“Wat als het hele land nu doof zou zijn net zoals ik, zodat geen enkel bevel van een politieman zou worden gehoord? Daar fantaseerde ik graag over. Stilte was de laatste ruimte die niet door de wijsheid van de overheid, was aangeraakt,” schrijft Kaminsky. Die gedachte vormde de aanleiding voor zijn allegorische bundel, waaruit een aantal gedichten in het Nederlands is vertaald door Alfred Schaffer. Gezien zijn beperking, vindt het interview plaats per mail.

Welke rol speelt de klank van een gedicht voor u als slechthorende dichter?

“Tot mijn zestiende had ik geen hulpmiddelen voor mijn gehoor. Als doof kind, ervoer ik mijn land als een natie zonder geluid. Ik ‘hoorde’ de Sovjet-Unie uit elkaar vallen met mijn ogen. Terwijl ik door de stad liep, keek ik naar de mensen. Hun oren waren de hele tijd geopend, ze hadden geen deksels. Ik was benieuwd naar hoe geluiden zouden zijn: het suizen, het sissen, het fluiten. De geluiden van de sleutels die in een slot gestoken worden of het geluid van water dat twee verdiepingen boven ons door de pijpen liep.”

“Ik zal je een verhaal vertellen: Ik ben een vijftienjarige jongen als een man in de bus me uitlacht op het moment dat ik zeg dat ik poëzie schrijf. Onmogelijk! Hoe kan een dove jongen überhaupt weten wat poëzie is! Thuis vraag ik aan mijn vader: ‘Wat is poëzie?’ Vader doet wat hij altijd doet: hij vertelt een verhaal: ‘Op een dag vraagt een dove man zijn vrouw om plaats te nemen achter de piano en zo hard zij kan het hele repertoire van Chopin te spelen. Terwijl zij op de toetsen slaat, laat hij zich vallen op handen en knieën, en bijt in het hout van de piano. En dát’ – mijn vader pauzeerde, hij hoefde niet door te gaan, maar deed dat toch – ‘dát is poëzie.’”

‘Ons gehoor verslechtert niet, maar iets stils in ons staalt,’ dicht u. De stilte in uw bundel is soms een teken van zwakte, dan weer van kracht. Hoe zou u de stilte in uw bundel zelf omschrijven?

“‘We spreken tegen stilte, maar het is stilte die ons tot spreken maant,’ schrijf ik ook. Er zijn ook beelden van momenten tussen twee geliefden, die elkaar het best begrijpen in de stilte. En er zijn heel andere beelden van mensen die tot stilte gebracht worden en van degenen die zwijgen als anderen worden weggesleept. Ik kan je vraag op heel veel manieren beantwoorden.”

Het onderwerp ‘stilte’ maakt wat in de dichter los. “Jij vraagt naar stilte en ik zie de Sovjet-Unie dertig jaar geleden instorten. Ik was in mijn tienerjaren en er waren al ‘humanitaire hulpacties’ van de Russen gaande in de republiek van Transnistrië. Voedseltekorten. Mijn eerste oorlog vond twee uur van mijn appartement vandaan plaats. Ik zag geen explosies, maar vluchtelingen.” Zoals een vrouw die zich door de menigte baant en een foto ophoudt. Ze stelt hem een vraag. Hij wijst op zijn oren en zegt dat hij haar niet hoort. Ze vraagt het een ander: ‘Heb je mijn dochter gezien?’ Het is het soort beelden dat ook in zijn gedichten terugkeert.

‘Wij zien in zijn open mond/de naaktheid/van onze natie’ is een terugkerend beeld in de bundel. U gebruikt het om de schreeuw van Sonja te omschrijven, die de neergeschoten dove jongen Petja op straat vindt, en om de open mond te omschrijven van de jongen die dood op straat ligt in de VS, neergeschoten door de politie.

“Dank voor de aandachtige lezing en het vangen van de echo’s die een eigen betekenis en muziek hebben. De bundel is een fabel, allegorie, geschreven door een immigrant die met één been in zijn thuisland Oekraïne staat en met het andere in zijn geadopteerde land, de VS. Oekraïne is midden in een oorlog met een imperium. De VS, werelds grootste imperium, valt regelmatig andere naties binnen. Toch kun je dezelfde beelden op beide plekken aantreffen. Deze bundel wijst hierop, zonder dogma, zonder retoriek. In plaats daarvan schept hij een wereld voor de lezer waarin hij zichzelf de vraag kan stellen: ‘In wat voor wereld leven we eigenlijk?’”

U dicht: ‘Kijk, God – /doven hebben iets te vertellen/wat zelfs zij niet kunnen horen.’ Wat merken de horenden niet op?

“Stilte is een uitvinding van de horenden.”

Zaterdag 11 juni presenteert Poetry International een speciaal programma voor slechthorenden. Meer info: zie poetryinternational.com

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden