PlusBoeken

‘De nieuwe koloniale leeslijst’ brengt canon met veel nieuwe inzichten

Rasit Elibol, redacteur bij De Groene Amsterdammer, stelde een bundel samen die de literaire canon bezien vanuit het nu moet weerspiegelen

De nieuwe koloniale leeslijst, Rasit Elibol. Beeld -
De nieuwe koloniale leeslijst, Rasit Elibol.Beeld -

‘Het is hoog tijd de traditionele canon te herzien, zodat iedereen zich kan herkennen in die verhalen (…) En dan ben je er niet met het toevoegen van Anton de Kom aan de canon van Nederland, zoals afgelopen jaar gebeurde. De literaire canon is ook veel te eenzijdig, je vraagt je af in ­welke wereld de opstellers leven, en dus vinden we het tijd voor een lijst met ook andere stemmen,’ schrijft samensteller Rasit Elibol (1984) in het voorwoord van de essaybundel De nieuwe koloniale leeslijst, met ­bijdragen van – voor­namelijk – redacteuren van De Groene Amsterdammer.

Gelijk heeft hij.

Black Lives Matter

De (literaire) canon bevat te weinig vrouwen, is te cis en te wit, en wellicht belanden we binnenkort ook een keer op het punt dat de canon ‘te literair’ wordt bevonden. Het blijft heerlijk voer voor discussies die vooral plaatsvinden in academische kring, want de gemiddelde lezer zal het aan z’n reet roesten. Toch zijn deze van belang omdat ze bottom-up (no pun intented) ontstaan en de maatschappelijke discussies en ­verschuivingen (zoals Black Lives Matter) reflecteren.

De nieuwe koloniale leeslijst beslaat een periode van 1860 (Multatuli) tot 2018 (Radna Fabias). De laatste, een steengoede dichter, is de enige bij wie de focus op poëzie ligt en zodoende een vreemde eend in de bijt. De (post)koloniale auteurs die volgens de redactie een plek verdienen in de canon zijn afkomstig uit Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederlands-Indië.

Sensitivity reading

Van zo’n leeslijst verwacht je in de eerste plaats (her)waardering van belangrijke, onderschatte of in de vergetelheid geraakte literatuur en auteurs, zoals Edgar Cairo, Bea Vianen en Anil Ramdas en in de tweede plaats een eigentijdse blik op reeds gecanoniseerde romans, zoals: Max Havelaar van Multatuli en Bezonken rood van Jeroen Brouwers. En dan ligt historicisme op de loer, zeker bij (her)lezing van klassiekers waarin gevoelige onderwerpen als de koloniale geschiedenis vanuit een wit koloniaal perspectief zijn beschreven. Racisme, ongelijke machtsverhoudingen en -structuren, kunnen niet onbenoemd blijven, maar alleen een ‘sensivity reading’ is niet interessant. Wat brengen de boeken wél in literair en cultureel opzicht?

Gloria Wekker beschouwt herlezing van Het land van herkomst (1935) van E. du Perron als ‘meer dan een hoofdstuk in de culturele geschiedenis, maar als een daad van overleving’. En inderdaad, ze wijst erop dat ras en etniciteit basisbestanddelen van Du Perrons wereldbeeld zijn. Maar naast kritisch (dekoloniaal en intersectioneel) is ze ook welwillend. Ze noemt hem een ‘geweldige observator’, die over ‘kritisch zelfinzicht’ beschikt.

Oeroeg

Xandra Schutte rehabiliteert – heel terecht – Oeroeg (1948) van Hella Haasse. Deze klassieke, op heimwee en exotisme geënte roman is nog steeds populair onder scholieren, maar werd door onder meer de ­Indische Tjalie Robinson en Alfred Birney bekritiseerd vanwege de naïviteit van de verteller (vereenzelvigd met Haasse, ‘een Hollands meisje uit de tropen’) die geen idee zou hebben van wat er in de Indische samenleving speelde. Interessant is dat Haasse dit nergens in de roman pretendeert. Oeroeg gaat juist over de onkenbaarheid van de ander. Schutte: ‘Oeroeg weerspiegelt (..) de koloniale idylle, maar ook de valsheid ervan.’

Vergeten auteurs als Augusta de Wit, Frans Lopulalan en Suwarsih Djojopuspito worden afgestoft. Laatstgenoemde schreef Buiten het gareel (1940). Djojopuspito’s sterk autobiografische roman gaat over een westers geschoold echtpaar dat kiest voor een activistisch nationalistisch en armoedig bestaan buiten de gebaande paden. Lara Nuberg vindt het boek ‘stroperig’ en ‘ouderwets’, maar het is ‘een geweldige historische bron’.

Gecensureerde titel

Over de leesbaarheid van wel meer werken uit de canon valt te twisten, toch hoop je dat een aanvulling meer is dan een historische bron, het gaat immers om een aanvulling op de canon van de Nederlandse literatúúr.

Stephan Sanders wijst bij zijn fantastische bespreking van werk van de (witte) Antilliaanse Cola Debrot, ook op de ‘verfijnde’ schrijfstijl van de auteur, die zich met gemak meet met gecanoniseerde schrijvers als Louis Couperus en Gerard Reve. Wel censureerde hij de titel van het besproken boek Mijn zuster, de n......(1935), een gekke keuze in deze context (hij citeert wel het woord ’negercultuur’) zeker gezien de open leeshouding bij bespreking van een roman over een witte man die geobsedeerd is door zwarte vrouwen: ‘Dit verlangen (..) laat zich niet in één woord afserveren als ‘koloniaal’. Het werk is eerder doortrokken van het vergeefse van het koloniale project, dat bezig is ten einde te lopen.’

De combinatie van een eigentijdse en (regelmatig) literaire blik, met oog voor de gelaagdheid van de besproken romans, en de soms vooruitstrevende inzichten van de auteurs, maakt De nieuwe koloniale leeslijst een belangwekkende aan­vulling op de canon.

Rasit Elibol, De nieuwe ­koloniale leeslijst, Das Mag/De Groene Amsterdammer, €21,99, 238 blz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden