PlusBoekrecensie

De middeleeuwer was gedwee op weg naar het einde der tijden

Volgens middeleeuwse geleerden leefde de mens tussen Christus’ Hemelvaart en het Laatste Oordeel. In Op weg naar de hemel maakt Ludo Jongen het tijdsbesef van de middeleeuwers tastbaar.

Het Laatste Oordeel: wie mag door naar de hemel, wie moet naar de hel; illustratie uit een getijden­boek uit circa 1490. Beeld Koninklijke Bibliotheek Den Haag
Het Laatste Oordeel: wie mag door naar de hemel, wie moet naar de hel; illustratie uit een getijden­boek uit circa 1490.Beeld Koninklijke Bibliotheek Den Haag

‘Let op want ik wil dat u hiervan overtuigd bent: dit is het begin van alle tijd. God maakte in het begin de hemel én alle engelen.’ Op 25 maart 1271 voltooide Jacob van Maerlant zijn Scolastica, of Rijmbijbel. Het werk bevat in tienduizenden verzen de historische boeken uit het Oude Testament, een doorlopende biografie van Jezus Christus en een bewerking van het verslag van Flavius Josephus over de opstand van de Joden tegen de Romeinen in het jaar 70. Met de Scolastica werd ‘in volkstaal’ de christelijke waarheden bijgebracht. Een verdomd handig naslagwerk voor de pelgrimage op weg naar de hemel, zoals de middeleeuwse mens het aardse bestaan zag.

Wat is tijd? Wanneer ontstond de kosmos? Dat wij anno 2021 veronderstellen dat het allemaal begon met de oerknal, zo’n 13,8 miljard jaar geleden, maakt het niet minder bevattelijk. Voor onze middeleeuwse voorvaderen was het idee van tijd en ruimte een stuk eenvoudiger, dankzij het over de Lage Landen uitgerolde christendom. De mens was 5199 jaar voor de geboorte van Christus geschapen, op vrijdag 25 maart. De geschiedenis werd beschouwd als een doorlopende lijn tot de Jongste Dag, waarop het Laatste Oordeel zou plaatsvinden.

Verschrikkingen

De middeleeuwers waren ervan overtuigd dat ze dicht bij het einde der tijden leefden. Volgens een voorspelling zou de wereld binnen afzienbare tijd vergaan, in het jaar 1336. West-Europa werd in de veertiende eeuw geteisterd door oorlogen, hongersnoden en epidemieën. Geestelijken hadden de taak om te midden van die verschrikkingen de mensen voor te bereiden op wat ging komen, met op schrift vastgelegde teksten: de ars moriendi (kunst van het sterven). Aanvankelijk in Latijn geschreven, werden ze na 1400 in de volkstalen omgezet.

Devote teksten, kronieken en hoofse ridder­romans, veelal geschreven in het Middelnederlands, gaven duiding aan de aardse pelgrimage van de mens. Met een selectie van Middelnederlandse teksten, modern hertaald en voorzien van duiding, slaagt Ludo Jongen er in om de middeleeuwse denkwereld tastbaar te maken. Martine Meuwese, docent en onderzoekster middeleeuwse kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, zocht schitterende miniaturen bijeen. En dat alles in 33 hoofdstukken, een verwijzing naar de leeftijd waarop zowel Jezus als Alexander de Grote stierf.

Begin noch einde

Het is volgens Ludo Jongen een ‘hardnekkig, wellicht onuitroeibaar misverstand’ dat men in de middeleeuwen geloofde dat de aarde plat was. Als bewijsvoering voert hij een tekst op uit de Lekenspiegel van Jan van Boendale: ‘Aarde en water vormen tezamen de wereldbol. De aarde ligt op het water. Ze zijn helemaal rond en kennen begin noch einde.’ Van Boendale schreef zijn vijfdelige moralistische naslagwerk tussen 1325 en 1330, voor mensen zonder theologische kennis.

Dat de aarde een bolvorm had, wilde niet zeggen dat ze volledig bewoond werd. Geleerden gingen ervan uit dat er vijf zones waren, waarvan drie onbewoonbaar door hitte of kou. Daar waar in Azië de zon opkwam, lag volgens een in Middelnederlands vertaald boek ook het paradijs: ‘Dat men slechts kan bereiken dankzij goede werken, want er staat een hoge muur omheen die tot aan de hemel reikt, en ervoor bevinden zich bergen, grote wouden en een woeste wildernis, vol draken en gevaarlijke beesten, zodat niemand erdoorheen kan trekken.’

In het midden van de aardbol was de hel, de plaats van ongelooflijke verschrikkingen en kwellingen. Een helse, donkere, duistere wereld vol addergebroed, slangen en draken. ‘Wie daar verblijft is voor altijd ellendig; het beste wat ze hebben, is een smerige stank,’ aldus Vanden leve­ne Ons Heren, waarin wordt stilgestaan bij de ellende die Christus tijdens zijn aardse leven is overkomen. Met als apotheose diens afdaling naar de hel, tussen zijn dood op Goede Vrijdag en wederopstanding op Pasen. Waar Jezus na het openbreken van de poorten Adam en de enkele andere rechtvaardigen naar de hemel bracht. Waarmee ook voor gewone stervelingen de weg naar de hemel weer werd opengesteld, die afgesloten was sinds de zondeval.

Uit het niet geschapen

Ook het bestuderen van de geschiedenis leverde inzicht op in Gods bedoelingen met de mens en de wereld. In 1259 schreef Jacob van Maerlant Alexanders geesten, over het leven, de avonturen en veroveringen van de legendarische Macedonische krijgsheer Alexander de Grote. Een heldenepos geschreven in opdracht van Aleida van Avesnes, zuster van Willem II graaf van Holland. Spannend én moralistisch, het beschrijft hoe vorsten zich dienden te gedragen. In het laatste deel sterft Alexander, als straf van God voor zijn hoogmoedige poging het paradijs te betreden.

Zoals de aarde ooit uit het niets was geschapen, zo zou hij volgens de middeleeuwers ook weer in het niets opgaan op de Jongste Dag. Waar ‘Jezus Christus, Gods Zoon, over alle mensen zal oordelen in het dal van Josafat’, volgens Jan van Boendale in Lekenspiegel. Alle mensen in een dal, zou dat wel passen? Jazeker, aldus Van Boendale: ‘Geleerden bezweren ons dat de mensen overeenkomstig Gods bevelen ook overal in de lucht zullen zweven.’ Na het vellen van het Laatste Oordeel over de kwaden en goeden zou de wereld ophouden te bestaan. Daarna viel er niets meer te vertellen.

null Beeld -
Beeld -

Merlijn, het duivelskind

Ook al had een mens zich aan God nog gebod gehouden, met het opbiechten van alle zonden op het sterfbed kon eeuwig lijden in de hel worden voorkomen. Dat God zo vergevingsgezind was, pikten de duivels niet langer. Ze besloten om zelf een mens te verwekken, bij een slapende jonkvrouw. ‘Toen het kind geboren was, sloeg de angst de vroedvrouwen om het hart: het kind was helemaal behaard. Ze lieten het de moeder op het kraambed zien; die sloeg meteen een kruisteken,’ schrijft Jacob van Maerlant rond 1261 in zijn Boek van Merline. Het duivelse plan slaagde slechts deels. Omdat de in haar slaap verkrachte jonkvrouw zeer godvruchtig bleek, gaf God het duivelskind voorspellende gaven mee. Dat kwam deze Merlijn later aan het hof van koning Arthur goed van pas als tovenaar.

Non-Fictie

Ludo jongen: Op weg naar de hemel, Sterck & De Vreeze, €24,95, 256 blz

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden