Voorpublicatie

De geboorte van het schrijverschap van Renate Rubinstein – ‘Iedereen geloven ze liever dan hun eigen kinderen’

In Vaderskind duikt historicus Hans Goedkoop in de oorlogsjaren van Renate Rubinstein. Het gezin is uit Berlijn gevlucht naar Amsterdam, vervolgens naar Londen en terug naar Amsterdam. Als haar ouders Willy en Hanne naar Londen gaan om het huis uit te ruimen, logeert Renate (8) bij ‘een familie Grünberg’. Een voorpublicatie.

Hans Goedkoop
Renate Rubinstein met haar vader Willy. Beeld -
Renate Rubinstein met haar vader Willy.Beeld -

‘En kijk aan, daar is ze. Dit is het moment waarop Renate, acht jaar oud, voor het eerst uit de coulissen van haar levensverhaal stapt en vol in het licht gaat staan. Het is 5 maart 1938. Ze logeert aan het Olympiaplein in Amsterdam bij een familie Grünberg, die een zaak in damesmantels aan de Keizersgracht heeft, op een steenworp van de zaak die Willy na de vlucht uit Duitsland aan die gracht had. Ze verblijft er nu vier dagen en schrijft de eerste woorden die van haar bewaard zijn gebleven.

‘Dear Mummy!

On Friday I went with Mrs Grünberg for al walck, we went allong a river were ducks where. In the morning, I went to Günter. On Saturday morning I went to Günter and Mrs Neuman, and she promised me when she goes shopping to bye me something. I am learning hard and this morning I was reading and I had to tell what it meant to be. In the afternoon I went on the street and I played with some children. On Sunday morning we went in Mrs Grünbergs bed, and we had a lovely time geusing Riddles. When are you coming back, and what are you doing? I made a callendar to see when fourteen days were gone. On Sunday morning we went ther where the little mountains where, it was a lovely day to-day, and in the afternoon we went to Vondelpark and we played with a ball and we [woord onleesbaar]. How are you, how much more days will it long when you are comming back? I can speeck a little Duch.

Your Renate’

Eén brok heimwee

Een brief in het Engels, dat valt allereerst op. Dat hoeft niet te betekenen dat ze in Londen thuis ook Engels met haar moeder spreekt, vermoedelijk is het de taal die ze daar in de klas heeft leren schrijven. Ook valt op dat ze het meldenswaard vindt dat ze al een beetje Nederlands spreekt. Alsof ze niet meer weet dat ze dat allang deed toen ze een jaar in Amsterdam verbleef. Je vraagt je af hoe ze dat kan vergeten, zelfs nu ze de taal weer hoort, wat is dat toch met haar geheugen?

Maar het meest valt op hoe prettig ze het lijkt te hebben. Dat was wat haar moeder achteraf ook opviel. ‘Je was vrolijk, jullie hadden het erg leuk.’ Daar was haar moeder op haar beurt natuurlijk blij mee geweest – en opgelucht misschien, gezien de hevigheid waarmee Renate weleens reageerde als de orde binnen het gezin verstoord raakte door reizen of zelfs maar visites. Godzijdank, Renate had het goed.

Als ze de brief tientallen jaren later terugvindt, ziet Renate wel hoe Hanne zo kon denken. Er staat inderdaad veel ‘flauwekul’ in, over spelen met een bal en fijn gewandeld. Maar tussendoor vertelt ze over de kalender die ze heeft gemaakt om te kunnen zien wanneer de veertien dagen om zijn. Ze vraagt zelfs hoelang dat nog gaat duren. Wat doe je, wanneer kom je terug?

Het staat verborgen tussen de eendjes in het Vondelpark, maar het staat er toch, en er staat ook heel duidelijk dat de logeerpartij klaarblijkelijk niet één week heeft geduurd, zoals ze zich in haar welwillendheid herinnert, maar wel twee. Wat lang is voor een kind van acht. Dus driemaal raden hoe het in die volle veertien dagen met haar ging. Ze was ‘onafgebroken ongelukkig’, één brok heimwee en gemis. ‘Er was niets leuk en er kon niets leuks zijn want ik was uitsluitend bezig met verlangen naar mijn ouders, of beter gezegd naar “ons”.’

Een herkenbare Renate

Dus toch. Dit klinkt als een herkenbare Renate, hoe dan ook als een herkenbaar kind, en in de terugblik voelt ze het nog altijd na. In die twee weken limbo tijdens de verhuizing viel haar leven uit elkaar. En daar bleef het niet bij, er volgde in haar woorden nog een tweede schok, die eigenlijk veel langer natrilt. Want vooruit, het was daarna weer goed gekomen, iedereen weer bij elkaar, ze had er geen woorden meer aan vuilgemaakt.

Renate Rubinstein in 1946. Beeld
Renate Rubinstein in 1946.

Maar hoe bestond het dat haar moeder die paar zinnen die toch alles zeiden niet begrepen had? ‘Hoe kon ze ooit gedacht hebben dat het mij toen goed ging? Ook zonder brief had ze het moeten begrijpen, maar met brief, uit de diepten geschreven, hoe was dat mogelijk, hoe kon ze van mij denken dat ik niet meer ik was?’

Dat brengt haar op een weeffout in het ons van het gezin die ze als kind steeds meer ging zien. Zijn wie ze was, dat kon ze bij haar vader. Met zijn ‘lassie’ gaf hij haar de ruimte en aanvaardde hij het als ze stout was, driftig of verdrietig. Haar moeder deed dat minder. Die was van zichzelf heel netjes en beheerst ‘en die moet dus van mij gedacht hebben dat ik als een soort vondeling in haar buik geschoven en er weer uit gegleden was’.

Flauwekul

Mammi vond haar ‘lastig’. Sterker, Mammi zei dat soms hardop en trof haar daarmee in het middenrif, want het gebeurde vaak net als zij vurig opkwam voor haar zaak en dus geheel zichzelf was. Ontken dan nog maar eens. Renate = lastig.

Onontkoombaar leidde dat bij haar tot ‘schaamte’ en ‘consideratie’ met haar moeder. ‘Want je mag je ouders niet verdrietig maken. Dat is erin geheid alsof het Gods eigen woord is. Je mag überhaupt nooit de waarheid zeggen en je laten kennen. Tevens echter mag je niet liegen.’

Kom daar maar eens uit – en daarom koos ze in haar brief voor alles tegelijk. Ze zette de waarheid tussen de flauwekul en hoopte dat haar moeder die daar terug kon vinden. Maar haar moeder hield het feilloos bij de flauwekul. Ze was misschien toe aan geruststelling, in alles wat er tijdens de verhuizing moest gebeuren zal het fijn geweest zijn om te horen dat haar oudste dochter zich tenminste goed hield.

Ze kreeg bovendien een steuntje van Renates Amsterdamse gastmoeder, die achter op de brief toevoegde wat een ‘liebes Kind’ Renate is – ‘es geht gut und ich denke Renate fühlt sich auch wohl bei uns.’ ‘En dat heeft natuurlijk de zaak beklonken,’ schrijft Renate. ‘Volwassenen geloven volwassenen, moeders geloven moeders, iedereen geloven ze liever dan hun eigen kinderen.’

Zeggen wat je werkelijk voelt

Ze vraagt zich af of ze het anders had moeten aanpakken. ‘Maar kinderen zijn niet achterlijk. Stel eens ik had eerlijk opgeschreven: “Lieve Mammi, de mensen hier zijn vreselijk, ik verlang naar jullie, zullen jullie me nooit verlaten en altijd van me blijven houden?” – of woorden van die strekking, had dat geholpen? Ik weet wel zeker van niet.’ Het zou nog eens bevestigen dat ze lastig was en daar had ze zichzelf mee.

‘Trouwens, ook in de rest van mijn leven heb ik nooit gemerkt dat oprecht zeggen wat je werkelijk voelt de mensen ooit voor je inneemt, of ze van gedachten doet veranderen.’ Als ze dat niet al in de dagelijkse omgang met de medemens geleerd had, dan wel in haar columns. Daarin was ze ook weer lastig. Dat was zelfs de kern ervan. Je moest iets schrijven wat de lezer prikkelt, uitlokt, opschudt, maar dan zonder dat het zich tegen je keert, en hoe pak je dat aan?

Het was de hamvraag van haar schrijverschap en die ligt hier dus al klaar in de brief van de achtjarige. Iets schrijven wat je meende was één ding. Iets schrijven waarmee je gehoord werd, was de kunst.’

null Beeld

Vaderskind, de oorlog van Renate Rubinstein

Hans Goedkoop
Atlas Contact, €21,99
160 blz.

‘Der Vati kommt bald wieder’

In Vaderskind ontrafelt Hans Goedkoop – die werkt aan de biografie van Renate Rubinstein (1929-1990) – de geschiedenis van een immigrantenmeisje met een Joodse vader. Tomeloos slim en gevoelig, angstig zonder dat ze weet waarvoor. Haar wordt niet veel verteld over de wereld, kinderjaren horen onbezorgd te zijn, maar gaandeweg dwingt ze zichzelf te leren kijken. Ook naar wat geen mens wil zien. Als eerste columnist van Nederland schreef Renate Rubinstein over alles wat de tijd haar aandroeg, van het zelfbedrog der ideologieën tot de zang van de wielewaal. Haar kinderjaren bracht ze door in Berlijn. Toen volgde een vlucht naar Amsterdam (1935), vervolgens Londen (1936), toch weer Amsterdam (1938). Dan op een ochtend uniformen op de trap en een belofte die een leven lang naklinkt. ‘Der Vati kommt bald wieder.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden