Plus Interview

De 85ste Baantjer is uit: de Cock met cee-oo-cee-kaa is een onverwoestbaar merk

Beeld ANP Kippa

Met De Cock en de levende dode schreef Peter Römer het 85ste deel in de Baantjer-reeks. De Cock met cee-oo-cee-kaa in het Amsterdam van nu. ‘Vledder kan zich met zijn agentensalarisje geen woning in de Plantage veroorloven.’

Toen rechercheur Albert Cornelis ‘Appie’ Baantjer (1923 – 2010) zijn eerste boek schreef over bureau Warmoesstraat, baseerde hij zijn hoofdpersoon Jurriaan de Cock op twee van zijn collega’s daar: inspecteur De Haan, die in het verzet de schuilnaam Le Coq had gehad, en inspecteur Hock die zich altijd voorstelde als Hock met cee-kaa. Het verscheen in 1963 als De Cock en een strop voor Bobby.

Zeventig boeken zou Baantjer schrijven (de laatste jaren samen met Simon de Waal); de rol van lijk in de televisieserie die van 1995 tot 2006 werd gemaakt was een van de meest gewilde onder Bekende Nederlanders. Toneelstukken volgden en dit jaar kwam de bioscoopfilm Baantjer: Het begin uit, een prequel op de serie waarvan in 2020 ook weer een serie op televisie te zien zal zijn.

De Cock met cee -oo-cee-kaa als legendarische figuur, en Baantjer als onverwoestbaar merk. Na de dood van Appie Baantjer, die 38 jaar in de Warmoesstraat had gewerkt, werd de boekenreeks voortgezet door Peter Römer: de zoon van Piet Römer, de De Cock uit de televisieserie. Als co-scenarist en producent bij ­Endemol was hij nauw bij de serie betrokken geweest. In 2010 verscheen De Cock en de onzichtbare moordenaar, deel 71 in de reeks. Deze week werd nummer 85 gepresenteerd: De Cock en de levende dode.

“Toen ik de serie produceerde had ik een lunch met een uitgever, ik had een plannetje. ‘Laten we,’ zei ik ‘drie Baantjer-scenario’s omschrijven tot verhalen. Dan brengen we die fijn in een omnibusje op de markt.’ Een ‘novelisatie’, zogezegd. Dat heeft hij toen voorgesteld aan Baantjer, maar die heeft hem letterlijk de kamer uitgescholden. Hij vond het een kannibalisatie van zijn werk.”

Maar toen ging Römer weg bij Endemol en Baantjer overleed. Römer zou zich aan thrillers gaan wagen – in 2012 verscheen de eerste onder de titel Chantage. “Mijn uitgever kwam weer terug op dat oorspronkelijke plan. Het leek me een goede vingeroefening, dus dat zijn we gaan doen. En het boek liep goed, dus toen zeiden we: ‘Nog een? Why not.’ En zo is het gekomen.” De eerste delen van Römer waren nog gebaseerd op Baantjer-scenario’s, maar inmiddels schrijft hij nieuwe Baantjer-verhalen.

Wat denkt u, zou Baantjer zich omdraaien in zijn graf?

“Hij zal ze in ieder geval een stuk slechter vinden dan de zijne, en dat is z’n goed recht natuurlijk. Maar toen de serie in zijn leven kwam, was hij daar wel enorm verguld mee – en we mogen zeggen: die was ook buitengewoon goed voor de verkoop. Sinds de boekjes heb ik ook twee Baantjer-toneelstukken geschreven waarmee ik, met Peter Tuinman als De Cock, tot mijn diepe vreugde het hele land door ben geweest. We hebben de speelfilm gemaakt en daar komt een serie van, met Waldemar Torenstra weer als de jonge De Cock. Daarin doen we de kroning van Beatrix, de krakersrellen, alles wat in Amsterdam in die tijd speelde.”

U bent een waardige beheerder van het Baantjer-erfgoed, wil u maar zeggen. Baantjer is ook echt een familiebedrijf geworden van de Römers – met uw vader als De Cock, uw rol in het geheel, maar ook met uw zoon Thijs als co-scenarist.“

“We hadden heel lang gezocht naar een acteur voor De Cock. Het werd mijn vader, hij was 67 en aan het einde van zijn carrière toen hij als Baantjer begon, en hij heeft daardoor een enorme ‘grande finale’ meegemaakt. Voor de jonge De Cock stond in eerste instantie Thijs opgelijnd. Als Thijs het had gedaan, en dat is iets wat mijn vader graag gewild zou hebben, was de cirkel rond geweest. Maar Thijs wilde er niet mee achtervolgd worden, dan had iedereen er de mond van vol gehad dat ‘de traditie werd doorgegeven.’ Daar heb ik alle begrip voor. Voor Waldemar is het gewoon een rol.”

Hoe hou je De Cock met zijn eeuwige vilten hoedje fris? U moet hem letterlijk bureau Warmoesstraat uit jagen wegens renovatiewerkzaamheden. ‘Een goed moment’, zegt commissaris Buitendam, ‘om eindelijk eens op de computer over te stappen.’ Maar zijn verzet tegen de techniek heeft hij nog niet gestaakt.

“Ik heb hem al wel eens een moord via Twitter laten oplossen. Het dringt langzaam zijn leven binnen. Maar ik heb nagedacht over het geheim van Appie Baantjer. Waarom zijn die boekjes zo populair? Ze zijn niet van het allerhoogste niveau. De karakters zijn niet buitengewoon interessant. Maar er zit iets in die De Cock wat heel veel Nederlanders aanspreekt. Het gaat om hém, die man met een enorm groot rechtvaardigheidsgevoel. De man die de moord wil oplossen vanuit zijn hoofd. De forensische dienst mag dingen aandragen. Maar zíjn manier is diep over de dingen nadenken.”

“Ik heb een geel boek op mijn bureau liggen, Forensisch onderzoek voor dummies. Daaruit laat ik zo nu en dan wat vallen, maar ik wil de mensen er niet teveel mee vermoeien. Het gaat om De Cock en het warme gevoel dat hij oproept, dat de wereld niet zo slecht is als die eruit ziet. Als ik in Het Parool lees, wat ik dagelijks doe, over de onoplosbare wirwar van de Amsterdamse misdaad, is het fijn dat in de Baantjerboeken de moord opgelost wordt. Cosy ­crime, wordt het genoemd. Dicht bij huis en uiteindelijk valt het allemaal wel mee.”

Over Amsterdam en nieuws gesproken: in De Cock en de levende dode wordt bij de Stopera een waterlijk gevonden. Daar hebben we de afgelopen jaren vaak mee te maken gehad.

“Een waterlijk levert altijd gezeur op. Vroeger waren ze er ook al hoor. En als ze gevonden werden, legden de agenten ze vaak een paar honderd meter verder in een ander district en trokken de gulp open – dronken wildplasser – omdat ze anders op onderzoek uit moesten. Ik schrijf zelden over moorden die met voorbedachten rade worden gepleegd waarbij de dader er met een elektrische zaag op uittrekt om iemands schedel te lichten. Ik schrijf over emotie, impuls of een per ongelukje. En met een waterlijk kun je alle kanten uit.”

Het slachtoffer, een Russische oud-balletdanser, woont in een hotelkamer in de Plantagebuurt. U gebruikt het als aanleiding om Baantjer en zijn secondant Vledder los te laten gaan over de gentrificatie en het gebrek aan betaalbare woonruimte.

“Baantjer schreef over de jaren vijftig en zestig van Smalle Lowietje: toffe gasten, hoertjes met een gouden hartje. Amsterdam met een roze randje. Als ik zo’n boekje schrijf met al die hoogst ongeloofwaardige situaties die kenmerkend zijn voor het misdaadgenre, wil ik toch proberen de tijd te raken. Vledder met zijn agentensalarisje kan zich geen woning in de Plantage veroorloven.”

“In het nieuwe boekje dat ik aan het schrijven ben – want het gaat maar door, mevrouw – gaat het over de kermis in het Westerpark waarin de onderwereld investeert om geld wit te wassen. Bij Baantjer liggen de ­karakters van De Cock en Vledder stil, het plezier zit in zoeken naar plekken waar je wat over kunt vertellen en de andere personages in elke nieuwe moordsetting.”

Nog meer actualiteit: een #MeToo-wending met een balletmecenas.

“Ik schreef over de balletwereld en moest denken aan de ‘roze balletten’ (seksfeesten in de jaren zeventig in België waarbij hoge ambtenaren, politici en politiemensen betrokken zouden zijn geweest, red.). #MeToo is weer heel erg onderdeel van de maatschappij van nu, en dan vind ik het raar het er níet over te hebben. Zo’n formuleboekje is niet het meest vooruitstrevende genre, maar als je het in de jaren vijftig laat wordt het mij teveel Anton Pieck.”

Hoe kwam u uit bij de Nationale Opera en Ballet als setting?

“Ik wist níets van de balletwereld. De vader van mijn vrouw zat in de muziek, die van mij bij het toneel. We hadden samen het hele culturele leven gedaan – behalve ballet. Dus ga je geloven dat er niks aan is. Toen kregen we een schoondochter die van het ballet is, Igone de Jong. Vijfendertig jaar had ik mezelf wijsgemaakt dat ballet niet leuk is, maar ik ben van mijn stoel gevallen van verplettering. Dus zo is die Rus in de Amstel terechtgekomen.”

Nooit boekje zeggen, werd tegen mij gezegd toen ik zelf ooit een, eh, boekje had geschreven.

“U hebt gelijk, dat moet ik eigenlijk niet doen, nee. Ik heb de neiging dingen kleiner te maken dan ze zijn, ze te bagatelliseren. Maar zo kijk ik er niet tegenaan. Het is een genre. En ik werk er hard voor.”

Toneel, films en televisie

Peter Römer (66) begon zijn carrière als acteur bij toneelgroep Centrum waarvoor hij ook stukken schreef, en speelde in televisieseries en films. Vanaf 1985 schreef en regisseerde hij voornamelijk voor televisie. Van 1990 tot 2010 was hij als Hoofd Drama en Creative Director verbonden aan John de Mol Producties en daarna Endemol Nederland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden