Boekrecensie

De 23ste Anne Tyler: bedrieglijk ‘gewoon’, zoals altijd meesterlijk

In de openingspassage van haar 23ste roman, Een rooie aan de kant van de weg, lijkt Anne Tyler (1941) dezelfde toon aan te slaan als die waarop sommige van haar zuurste criticasters het al vijftig jaar over haar personages ­hebben. 

Ook hoofd­persoon Micah is weer typisch licht-excentriek hoofdschud­materiaal.Beeld Getty Images/iStockphoto

‘Je vraagt je af wat er in het hoofd omgaat van een man als Micah Mortimer,’ luidt de meewarige openingszin. Waarna een schijnbaar uit roddelige observaties en speculaties opgetrokken schets van diens troosteloze kabbelbestaan twee pagina’s later wordt afgesloten met een berustende herneming van die vraag. 

‘Neemt hij ooit de tijd om bij zijn leven stil te staan? De zin ervan, de bedoeling? Beklemt het hem dat er de komende dertig tot veertig jaar amper ­verandering in lijkt te zullen komen? Niemand die het weet. En het staat haast wel vast dat ­niemand het hem ooit heeft gevraagd.’

Onbeduidende sukkelaars en hun o zo gewone leventjes, Tyler is er geregeld dé chroniqueur van genoemd. En ook deze Micah is op het eerste gezicht weer typisch licht-excentriek hoofdschudmateriaal.

Vertrouwde tredmolen

Op zijn 43ste woont hij alleen in een obsessief ordelijk en schoon gehouden kelderappartement in Baltimore (‘Is het stofzuigdag?’ spot een zwager ergens. ‘Afstofdag? Schrob-de-vloer-met-een-tandenborsteldag?’). Zijn brood verdient hij als parttime conciërge in hetzelfde flatgebouw én met zijn eigen eenmans-IT-bedrijfje, Tech Hermit, onder welke naam hij de computerproblemen van zijn bejaarde clientèle oplost, niet zelden door hun apparatuur simpelweg uit en weer aan te zetten. En hij onderhoudt een latrelatie met schooljuffrouw Cass, waarbinnen na drie jaar alles wel zo’n beetje is ‘gestold – compromissen gesloten, verschillen aanvaard, eigenaardigheden voor lief genomen’.

Klinkt bloedeloos?

Zelf lijkt hij volmaakt tevreden, met zichzelf en met zijn vertrouwde tredmolentje. Een modelburger, die in zijn verbeelding luidkeels wordt geprezen door de ‘Verkeersgod’, wanneer hij zich weer eens precíes aan de maximum snelheid houdt; veilig opgesloten in zijn ­routines.

Vroegere romans

Dat wil zeggen, tót Tyler al die zekerheden met een paar plotwendingen op losse schroeven zet. Ongeveer zoals ze dat eerder Macon Leary aandeed in haar verfilmde roman The Accidental Tourist (1985), of die arme gegijzelde Charlotte Emory in Earthly Possessions (1977). (Geheimtaal ongetwijfeld, maar we bedoelen maar: lees ook die vroegere romans.)

Bij Micah staat plotseling de 18-jarige Brink op de stoep, de zoon van vriendinnetje-uit-zijn-studententijd Lorna, die ervan overtuigd is

dat hij zijn biologische vader is. Onmogelijk, weet hij, maar hij laat de verdoolde puber toch maar overnachten in zijn logeerkamer. Daarop wordt vriendin Cass zó woedend dat hij haar die kamer níet aanbood, terwijl zij uit haar huurhuis dreigt te worden gezet en samenwoonhint na samenwoonhint liet vallen, dat ze het ter plekke uitmaakt. Ze laat onze wat autistische antiheld verbijsterd en verontwaardigd achter en pas geleidelijk dringt tot hem door hoezeer hij in de afgelopen tijd van echt menselijk contact en liefde verstoken is geraakt – en welke rol hij zelf in dat proces heeft gespeeld.

Eurekamomenten

Veel meer dramatische verwikkelingen heeft Een rooie aan de kant van de weg niet te bieden, afgezien van nog een bescheiden zoektocht naar Brink, die Micah tijdelijk herenigt met diens moeder. De kracht ervan schuilt in ­hoezeer Tyler je laat meeleven met de crises en de eurekamomenten van haar hoofdpersonage. Hoezeer die goedbedoelende oen voor je gaat léven.

Hoe ze dat precies doet, daar krijg je de vinger nauwelijks achter. Het heeft te maken met het kalm stapelen van realistische details. Met het vakvrouwschap van zo’n scène waarin onze eenzaat tijdens een familiebezoek wordt overspoeld door de hartelijke chaos van zijn vier praatgrage zussen en hun gezinnen, waardoor je, bij al hun liefdevolle bemoeizucht, op slag meer van zijn terughoudendheid begrijpt. En met de oncynische mengeling van warmte en droge humor ook, waarmee ze beschrijft hoe hij blind voor andermans signalen door het leven blundert.

Je hart breekt wanneer zijn onvermogen wordt gevangen in een fraaie metafoor (‘In de omgang met mensen voelde het soms alsof hij aan een grijpkast op de kermis stond en de prijs maar niet kon pakken, omdat de knoppen niet goed werkten’) en slaat op de laatste pagina hoopvol een slagje over. Simpelweg omdat je hebt gelezen wat er in het hoofd en het hart van ‘zo’n man’ omging.

Typisch Tyler: bedrieglijk ‘gewoon’, altijd meesterlijk.

Beeld -

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden