Plus

De 13 kimonomeisjes van Breitner samen in het Rijks

Het Rijksmuseum brengt alle kimonomeisjes van Breitner bij elkaar. De exotische, verstilde schilderijen zijn veel spontaner geschilderd dan gedacht.

De rode kimono (1896, collectie Stedelijk Museum). Beeld Rijksmuseum

Tegenwoordig behoren de kimonoschilderijen van George Hendrik Breitner (1857-1923) tot het geliefdste werk van de schilder. Ze worden gekoesterd door musea en particuliere eigenaren en als er af en toe een in de kunsthandel opduikt, wordt er veel geld voor betaald.

Toch wisten zowel voor- als tegenstanders van Breitner aanvankelijk niet goed wat ze ermee aan moesten. Het schilderen van Japanse motieven was weliswaar in heel Europa razend populair, maar dat uitgerekend Breitner zich met zulke onderwerpen bezighield, was even wennen.

Realiteit
Breitner begon de serie in 1893. Daarvoor had hij zijn reputatie gevestigd in Den Haag als schilder van ruiters tijdens militaire manoeuvres. Na zijn verhuizing naar Amsterdam in 1886 verlegde hij zijn aandacht naar straattaferelen in de stad, maar met de kimonomeisjes maakte de schilder plotseling doeken die totaal waren losgezongen van de alledaagse realiteit.

Het Rijksmuseum heeft nu alle bekende meisjes in kimono, dertien stuks, bij elkaar gebracht. Een aardige tour de force, want sommige doeken waren al jaren min of meer spoorloos. Een van de schilderijen was alleen bekend van een foto die werd gemaakt op Breitners solotentoonstelling in Arti et Amicitiae in 1901. Het is nu weer opgeduikeld, en bovendien in prima staat.

Breitner schilderde de kimonomeisjes in zijn nieuwe woning aan de Lauriergracht. Hij was in de periode daarvoor behandeld voor een geslachtsziekte, die tijdelijk zijn zicht had aangetast. Even was hij bang dat hij nooit meer goed zou kunnen zien; misschien vormden de weelderige schilderijen met exotische, decoratieve patronen wel een hernieuwde kennismaking met de zichtbare werkelijkheid.

Bij nul
Het meisje op het schilderij is steeds hetzelfde model. In 1893 kwam Breitner in contact met de zestienjarige Geesje Kwak (1877-1899). Zij was met haar ranke bouw en spitse gezicht zo ongeveer het tegenovergestelde van de schonkige 'Jordaanse types' die meestal op Breitners schilderijen figureerden. Twee jaar lang zou hij Kwak vastleggen, niet alleen in schetsen en schilderijen, maar ook op foto's die hij ter voorbereiding maakte. Dat hij de foto's niet slaafs naschilderde blijkt uit een van de schilderijen, waarvan ook een foto bestaat. Het meisje op het uiteindelijke schilderij is waarschijnlijk Anna Kwak, Geesjes zus, die voor één keer haar plaats innam.

Als je de dertien schilderijen bij elkaar ziet, blijkt dat het helemaal geen serie is. Een serie suggereert een planmatige aanpak, maar Breitner begon elke keer bij nul. Elk schilderij was een avontuur, waarin hij steeds iets anders wilde uitproberen. Ook de manier van schilderen verschilt behoorlijk van doek tot doek. Een aantal schilderijen is gedetailleerd geschilderd, terwijl andere heel schetsmatig zijn gebleven.

Het oorringetje (1893, collectie Boijmans Van Beuningen). Beeld Rijksmuseum

Uit eerder onderzoek was al gebleken dat Breitner nogal improviseerde met technieken. Zo gebruikte hij een vlooienkammetje om de structuur van de oosterse tapijten in een van de schilderijen na te bootsen. Door nieuw onderzoek is men meer te weten gekomen over zijn materiaalgebruik en werkwijze. Breitner schilderde af en toe voorstellingen over eerder gemaakte schilderijen waar hij blijkbaar niet tevreden over was.

Onderschilderingen
Dat blijkt hij ook bij de kimonomeisjes het geval. Een röntgenopname van het werk uit het Rijksmuseum heeft uitgewezen dat onder de huidige voorstelling een vrouwelijk naakt schuilt. In andere schilderijen is zelfs met het blote oog te zien dat de penseelstreken niet overeenkomen met de huidige voorstelling.

Ook barsten in de verflaag wijzen op onderschilderingen. In het schilderij uit het Stedelijk Museum blijkt Breitner de positie van het meisje te hebben veranderd. Aanvankelijk lag ze dichter tegen de bovenrand van het doek. Mogelijk vond Breitner dat haar hoofd op die manier ongemakkelijk in de linkerbovenhoek van het schilderij gepropt zat, waarna hij de hele figuur opnieuw schilderde.

Wisselende reacties
Met infrarood- en microscooponderzoek is geen enkele ondertekening ontdekt. Van stadsgezichten is bekend dat Breitner eerst met potlood of houtskool een schets maakte. Zo niet bij de kimonomeisjes, waarvan hij de compositie direct met olieverf in grote vlakken opzette.

Aanvankelijk waren de reacties op de Breitners kimonomeisjes wisselend, maar tijdens de eerdergenoemde tentoonstelling in Arti kwam de doorbraak. Geesje Kwak heeft dat helaas niet mogen meemaken. Ze emigreerde in 1895 naar Zuid-Afrika, waar ze een paar jaar later overleed aan tuberculose. Ze werd slechts 22 jaar oud. Breitner schilderde zijn laatste kimonomeisje toen ze al was vertrokken. Haar gezicht is daarin alleen in de spiegel te zien, als een vage schim die nog één keer achterom kijkt.

Breitner, Meisje in kimono. Rijksmuseum, tot en met 22 mei.

Geesje Kwak in rode kimono (1893-1895, RKD, Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis. Beeld Rijksmuseum
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.