Schrijvershotel

Daan Heerma van Voss: ‘Ik was een jongetje dat iets verschrikkelijks had gedaan’

Daan Heerma van Voss. Beeld Jasmine Gunther/ Ambassade Hotel
Daan Heerma van Voss.Beeld Jasmine Gunther/ Ambassade Hotel

Goed, we beginnen opnieuw. De eerste versie van dit stuk is verworpen – een geforceerde literaire bespiegeling over de zielsverwantschap tussen schrijver en hotel (iets met onderweg zijn en onbekende deuren) en dan met een Cees Nooteboomsausje eroverheen, sprinkle dusten met wat Grunbergalia over heimatloosheid. Klaar.

Het liep anders. Ik had boeken bij me, een schriftje, een laptop, maar ik was geen schrijver. Ik was een twaalfjarig jongetje, pukkelig, vlak voor de grote groeispurt. Een jongetje dat iets verschrikkelijks had gedaan.

Eén middag werkte ik hier. Dankzij Lucas, een vakantievriendje. Lucas, zijn broertje Louis en ik, we voetbalden, sjokten langs de waterlijn en trapten tegen slakkenhuizen. Hun vader, Wouter, zat altijd aan de kade. Naast hem: boeken. Filosofische boeken, boeddhistische, boeken over stenen. Wouter was ‘de baas’ van een Amsterdams hotel. En ik mocht best een dagje meehelpen, als ik dat wilde.

Lucas, die soms toegaf dat hij misschien ooit, grotemensenlater, het hotel zou overnemen, leidde me rond. Ik wilde het goed doen, mocht Lucas niet teleurstellen, Wouter niet, de krakende treden, de Cobraschilderijen. Ik was in een traditie geplaatst, van butlers en liftjongens, van toezichthouders, van eerbiedwaardige zorgers. Het ging niet denderend. De ruiten die ik lapte, met een zware gele doek, werden niet doorschijnend. De ontbijttafels die ik dekte, leken nooit helemaal symmetrisch, hoe vaak ik ook met de botermesjes schoof. Goed, ja, en toen ging het echt mis.

Een Amerikaanse man – een handelsreiziger? een spion? – vroeg me of ik zijn rolkoffertje kon dragen. Ik zette het koffertje naast zijn bed. Een klik. Ik opende mijn zweterige knuist en zag een stukje plastic – een klepje, een slotje? Toen hij niet keek legde ik het op de juiste plek, hopend dat hij het niet zag. Hij gaf me een rijksdaalder fooi, maar ik bedankte voor de eer.

Ach, welke eer? Iets was bij me in bewaring gedaan, iets belangrijks, nu stuk. Ik was woedend, gekwetst. Geen idee wat ik tegen Lucas heb gezegd, tegen Wouter, geen idee wat ik als reden heb opgegeven dat het bij deze middag zou blijven.

Hij loopt hier nu weer rond, Lucas. De handen trots op zijn rug gevouwen. Hij is de baas, zoals zijn vader eens. En ik zit op het terras, aan de kade, denkend aan die man die ooit aan de kade zat, hij met zijn boeken, ik met mijn schriftje.

Wat is een schrijvershotel? Een plek om aan te komen, om te denken aan mensen die je niet meer spreekt, om te ervaren dat we allemaal passanten zijn. Een plek die je voor even de jouwe mag noemen, totdat je de sleutel teruggeeft aan iemand die je vergevingsgezind toelacht.

PS: Aan de desbetreffende Amerikaanse spionnendienst die dit leest: zeg tegen jullie collega dat het me spijt van zijn koffertje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden