PlusInterview

Componist Peter-Jan Wagemans: ‘Nederlandse muziek is zoiets als Luxemburgse whisky’

Componist Peter-Jan Wagemans kijkt met grote bezorgdheid naar de huidige staat van de klassieke muziek in Nederland. ‘Ik kan op dit moment niemand meer aanraden beroepsmusicus te worden.’

Erik Voermans
Peter-Jan Wagemans: 'Rond 1990 waren er nog wél allerlei mogelijkheden, en er was overal publiek voor.'  Beeld Floris Leeuwenberg
Peter-Jan Wagemans: 'Rond 1990 waren er nog wél allerlei mogelijkheden, en er was overal publiek voor.'Beeld Floris Leeuwenberg

Peter-Jan Wagemans (69) is een van de vooraanstaandste componisten van Nederland. Hij maakte in de jaren tachtig en negentig de hoogtijdagen van klassiekemuziekcultuur mee en daarna de afbraak, in gang gezet door het eerste kabinet-Rutte. Wagemans heeft het verval met lede ogen aangezien en wil er graag iets over kwijt. Dat er in de ZaterdagMatinee van 6 november een gloednieuw orkestwerk van zijn hand bij het Radio Filharmonisch Orkest in première gaat, kan zijn gruwel amper verzachten.

“Toen ik op het conservatorium zat, tussen 1970 en 1976, had je bij het Residentie Orkest in Den Haag programma’s waarvan de tranen je nu in de ogen schieten. Er was veel meer avontuurlijk beleid. Wat me ook erg pijn heeft gedaan, is de teloorgang van die geweldige Nederlandse ensemblecultuur. Dat was echt iets bijzonders, waar in het buitenland bewonderend naar werd gekeken. Ik ben iemand die alles vrij nauwgezet bijhoudt en als ik zie wat ik in pakweg 1990 te doen had, rijzen de haren me te berge. Ik componeerde me rot! Er waren zó veel mogelijkheden, en er was overal publiek voor.”

‘Bedrieger Halbe Zijlstra’

“Je werd er niet rijk van, want er was niet veel geld, maar als je hard werkte, zat je in een fantastische cultuur. Voor een groot gedeelte is die nu weg. De grootste oorzaak is de klap van 2011, die de bedrieger Halbe Zijlstra uitdeelde, met een vette knipoog naar Geert Wilders, die toen een tijdje gedoogde. Daar is het muziekleven nooit meer van hersteld.”

“Een ander zwak punt is het Fonds Podiumkunsten, dat inmiddels een monopoliepositie heeft gekregen. Rond 1980 haalde ik bij allerlei verschillende instanties opdrachten binnen. Den Haag, Rotterdam, Amsterdam deden allemaal iets, ook de omroepen. Dat alles is nu verdord tot het FPK, een fonds dat dat sterk gebureaucratiseerd is en aan de leiband van het ministerie loopt. Zo’n fonds, op extreme afstand van de kunstenaars zelf geplaatst, wilde eigenlijk niemand, en het is er toch gekomen.”

“Subsidie krijgen bij het FPK is een heel apart kunstje, dat weet iedereen. Dat lukt alleen wanneer je eerst te weten komt wat het FPK wil lezen, en dat is zeker geen goed onderbouwde artistieke oprechtheid van een kwalitatief uitmuntende componist of ensemble. Het moet politiek correct zijn, divers en inclusief en vooral een spetterend cultureel ondernemerschap uitbazuinen.”

Alleen maar premières

“Een ander probleem is dat een tweede uitvoering van een orkestwerk praktisch onmogelijk is. Orkesten willen alleen premières. Ze kijken niet naar de muziek, maar naar de publiciteitswaarde. En een stuk van een Nederlandse componist vinden ze een beetje alsof je op een verjaardagsfeest verschijnt met een fles Luxemburgse whisky. Misschien is het de beste whisky van de wereld, maar het idee is toch dat je er als gever niets aan hebt. Nederlandse orkesten zullen vanwege het Luxemburgse whiskysyndroom in het buitenland zelden Nederlandse muziek spelen.”

“Kijk naar het Concertgebouworkest dat destijds Mysteriën van Louis Andriessen niet meenam op tournee, vlak na de première. Ze hadden tien jaar bij Louis zitten hengelen naar dat stuk. Toch was het kennelijk alleen besteld om het jaarverslag er goed te doen uitzien.”

Liever een parkje dan cultuur

“Dit alles leidt tot de onontkoombare conclusie dat veel vakgenoten in de problemen zitten. Ik ken veel musici, onder wie heel goeie, die het vak zijn uitgegaan. “Er bestaat onder musici een grote mate van schaamte als je niet kunt rondkomen. Daar worden meteen kwalitatieve conclusies aan verbonden. Musici kunnen ongelooflijk mooie en edele dingen uit hun handen toveren, maar het zijn kleine, kwetsbare zelfstandigen. Iedereen heeft een winkeltje.”

“Een groot deel van de financiële infrastructuur is van de overheid naar de gemeentes gegaan. En die moeten dan kiezen tussen de verlichting van een parkje of cultuursubsidies. Nou, dan weet je het al.”

Teloorgang van de muziekschool

“Wat bijvoorbeeld volledig in de soep is gelopen, is de onderliggende structuur van de muziekscholen. De gemeentes wilden ervan af. Zonde van het geld. Ze hebben de afbraak slim aangepakt. Eerst moesten de oude directeuren, meestal musici, weg. Die werden vervangen door managers. De managers maakten van die muziekscholen zelfstandige stichtingen. Goed voor het cultureel ondernemerschap toch, maar de docenten waren hun vaste aanstellingen kwijt. Dus konden de gemeentes daarna de subsidies intrekken zonder zich zorgen te maken over frictiegelden. De muziekschool ging failliet, de manager ontsloeg alle medewerkers en vertrok.”

“De ontslagen docenten konden daarna in die gebouwen ruimtes huren, uiteraard tegen marktconforme prijzen en zagen hun inkomens halveren. Gevolg: het werd een armoedebaan. Zo is het bijna overal gegaan. Een stille sociale ramp. Tel daarbij op dat voor jonge musici een vaste baan aan een orkest of conservatorium een absolute uitzondering is. En dit is inmiddels tot de jongere generatie doorgedrongen. Het heeft geleid tot een sterke teruggang van het aantal talentvolle Nederlanders die beroepsmusicus willen worden.”

Uitstervend soort

“Als voorbeeld neem ik het Koninklijk Conservatorium, je zou ook Codarts in Rotterdam kunnen nemen of willekeurig elk conservatorium, wanneer je achter de studentenaantallen kan komen. Het Koninklijk Conservatorium in Den Haag had rond 1970 ongeveer 400 klassieke studenten, praktisch allemaal Nederlanders. In 2019 waren er volgens het jaarverslag nog 283 klassieke studenten, waarvan 69 procent buitenlanders. Daar is dus iets gebeurd. De komst van buitenlandse studenten juich ik toe, maar de Nederlandse beroepsmusicus is aan het uitsterven. Ik kan me dat goed voorstellen: op dit moment zou ik niemand meer aanraden beroepsmusicus te worden, behalve die paar uitgesproken toptalenten.”

“In politieke kringen zal niemand dit als schokkend ervaren, het is puur opportunisme. Wanneer de vele tientallen miljoenen die aan directe of indirecte subsidie naar het betaald voetbal stromen, zou wegvallen, komt Nederland opeens de eerste ronde van het Europees kampioenschap niet meer door. De politicus die hiervan zegt: nou, en wat dan nog, ondertekent zijn eigen doodvonnis.”

“Voor mijzelf wordt het een karaktertest. De muziek, die ik nu maak, vind ik het zelf erg goeie muziek. Dus doe ik het. Ik laat me niet wegsturen.”

Van Wagemans verscheen onlangs The Big Composers Cookery Book (Deuss Music), een weerslag van zijn decennia omvattende lespraktijk.

Het Radio Filharmonisch Orkest speelt op 6 november o.l.v. Antony Hermus in het Concertgebouw Wagemans’ Carnival of Shades (aanvang 14.15 uur).

Muziek van Peter-Jan Wagemans beluisteren? Klik hier

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden