PlusAchtergrond

Choreo­graaf Bill T. Jones: zijn hele carrière al op zoek naar een wij

Danser of activist? Misschien is de Amerikaanse choreo­graaf Bill T. Jones het allebei. Hij is associate artist van het Holland Festival, dat volgende week online gaat. ‘Ik probeer nog altijd mooie dingen te maken.’

Beeld Beatriz Schiller

‘Ik sta voor Pip,” zegt William Tass ‘Bill T.’ Jones (Bunnell, Florida, 1952) in februari tijdens de presentatie van het Holland Festivalprogramma. De veelvuldig gelauwerde choreograaf is dit jaar associate artist van de online editie van het festival dat volgende week begint. Daarin is ook een nieuwe grootschalige creatie van hem te zien: Deep Blue Sea.

Pip is de kleine zwarte scheepsjongen uit Herman Melvilles Moby Dick die zonder pardon wordt achtergelaten in de oceaan omdat de kapitein en zijn team snel achter de legendarische witte potvis aan willen gaan. “Pip is het personage dat je makkelijk aan de kant kunt schuiven. Ik was totaal ontdaan toen ik het boek in mijn jeugdjaren las. Wat angstaanjagend: helemaal alleen in het oneindige koude water.”

Voor Jones leidde het verhaal dat veel mensen kennen naar de vraag: wat is een mensenleven waard? En: hoe kijken we naar iedereen die ‘anders’ is?

Hoog tijd om een en ander recht te zetten, zeker in tijden van door witte agenten gedode zwarte medeburgers. In Jones’ regie krijgt Pip niet alleen de hoofdrol maar ook warm gezelschap: eerst van negen dansers van zijn groep New York Live Arts, vervolgens van negentig totaal verschillende Amsterdammers die vol positieve energie naast hem komen staan.

Zo zou Jones het festivalthema verbeelden: ‘Op zoek naar een wij.’ Een paar weken voor de première in New York snijdt het coronavirus Jones, die voor het eerst sinds vijftien jaar weer zelf het podium zou betreden, de pas af.

Kijken naar de ander

Twee mensen, verbonden via een punt ergens op hun lichaam. Aandachtig naar elkaar kijken. Beseffen wat de een meebrengt en de ander toevoegt. Uitproberen hoe jouw gewicht kan dienen om iemand te ondersteunen of in een nieuwe richting te bewegen. Zo ontwikkelt zich intieme, persoonlijke dans, gebaseerd op uitwisseling en elkaar vooruithelpen.

Het zijn de basisingrediënten van contact­improvisatie, de werkwijze die de Amerikaanse postmoderne choreograaf Steve Paxton in de jaren zestig ontwikkelde voor voorstellingen met zowel professionele als amateurdansers. De aanpak werd een van de pijlers onder Jones’ inmiddels bijna vijf decennia omvattende oeuvre, dat ook opera en muziektheater beslaat.

Jones noemt Paxtons ideeën bevrijdend. Ze hebben ervoor gezorgd dat hij aan het begin van zijn carrière in feite al op zoek was naar een ‘wij’. “Contactimprovisatie was een belangrijke trainingsmethode voor ons werk. Het was een impuls voor de democratisering van de dans en het opende de deur naar het combineren van totaal verschillende lichaamstypen.”

Jones ontdekte de partnering á la Paxton toen hij samen met Lois Welk, Jill Becker en Arnie Zane als het American Dance Asylum stukken maakte. Welk had gestudeerd bij Paxton en gaf die kennis door. Jones had inmiddels van diverse dansvormen geproefd.

Buitengewoon koppel

“Toen ik op de universiteit van Binghamton zat nam ik dansles. Ik was een hardloper en droomde ervan naar Broadway te gaan en acteur te worden, maar het was de dans die mijn hart veroverde. Ik deed drie keer per week Cechettiballettechniek, afgewisseld met Humphrey-Weidman moderne dans. Mijn docent Afrikaanse dans was een heel charismatische, grote man uit Trinidad: Percival Borde. Het was de eerste keer dat ik een professionele zwarte mannelijke danser zag. Alle andere lessen kreeg ik van witte vrouwen.”

“In 1971 ontmoette ik Arnie Zane, die aan dezelfde universiteit fotografie studeerde. Zodra ik samen met hem in de les stond, dacht ik: dit wordt mijn kunst.”

Zeventien jaar lang vormden Zane en Jones een opvallend danskoppel: de een klein, lenig en wit, de ander groot, gespierd en zwart. En: een openlijk homoseksueel paar. Hun duetten kregen veel bijval. Jones: “De duetten met Zane waren extreem belangrijk, want daardoor maakten we de stap van een eerste optreden in New York naar onze verhuizing naar die stad met het doel van een professionele danscarrière, compleet met internationale tournees en eigen producenten. Daarmee kwam ook een eigen gezelschap.”

Samen traden Zane en Jones onder andere in Londen op. Amsterdam stond niet op de speellijst herinnert Jones zich nog altijd. Spijtig, want daar hadden Zane en hij het eerste jaar dat ze bij elkaar waren een tijd lang gewoond en waren ze met diverse kunstenaars bevriend geraakt. Ze hadden er ook jazzdansles gevolgd.

Beelden van de voorstelling Still/Here (1993), die gaat over het leven met de ziekte hiv. Beeld Beatriz Schiller

“We waren nog te jong om te weten waarom we daar naartoe gingen. Je probeerde gewoon te ontsnappen aan alles wat je kende. Amsterdam was in die tijd een mekka op het gebied van tolerantie en de kunsten. We hadden les in een kleine dansschool, samen met een heleboel giant blonde goddesses. Die werkten overdag op kantoor en kwamen ’s avonds lessen volgen.

Op een avond deden we een bewegingscombinatie die ik niet meteen onder de knie kreeg. Toen zei een van die vrouwen tegen mij: ‘Maar je bent een zwarte Amerikaan! Ik dacht dat die allemaal goed konden dansen?’ Dat was een leermoment dat mij mede heeft gevormd. Ik ben mij er altijd van bewust hoe je als zwarte, dansende man wordt gezien en alle veronderstellingen die daarbij horen.”

Verhalen vertellen

Vanaf 1982 leidden Zane en Jones hun eigen gezelschap, dat Jones na Zanes overlijden ten gevolge van aids alleen voortzette. Identiteit, seksualiteit, diversiteit, ras en burgerrechten waren de onderwerpen in de Bill T. Jones/Arnie Zane Dance Company.

Na Zanes dood maakte Jones een reeks voorstellingen over ziekte, verlies en rouw. Ze werden gepresenteerd door mensen met zeer uiteenlopende achtergronden, temperamenten en lijven en bevatten naast dans ook film en tekst.

Tekst hoorde er wat Jones betreft van meet af aan bij. Voor de leden van zijn huidige gezelschap, New York Live Arts, gebruikt hij inmiddels dan ook liever het woord performer, omdat ze dansen, zingen en spreken.

Zelf combineerde hij beweging en woorden vanaf zijn eerste solo. Zo verhaalt hij in Everybody Works/All Beasts Count uit 1975 van de terugkeer naar het Zuiden, als jongen van twaalf die jaren eerder noordwaarts was verhuisd. Jones heeft de tekst, waarin het woord ‘wit’ consequent wordt vermeden, nog steeds paraat.

“Doe alsjeblieft niet wat je oudere broer deed en trouw niet met een… vrouw, zeiden mijn tantes tegen mij. Als je dat doet, kun je hier niet meer op bezoek komen. Ik antwoordde: ik hou van jullie. Dat riep ik tegen het publiek: I love you, I love you, I love you.”

“Niet vreemd,” verklaart Jones, “ik kom uit een familie van verhalenvertellers. Storytelling was een belangrijke manier om dingen te delen en informatie door te geven.”

De verhalen van zijn vader, lezen we in Jones’ memoires, Last Night on Earth (1997), gingen over feesten, muziek en samen dansen. Die van zijn moeder over zwart en wit en rechten. Martin Luther Kings speeches duiken bij herhaling op in Jones’ producties. In Last Supper at Uncle Tom’s Cabin/The Promised Land (1990) leest hij een fragment eruit voor in omgekeerde volgorde. Het is een ritueel dat hij van zijn moeder erfde: die deed hetzelfde met verhalen uit de Bijbel als ze in tijden van tegenspoed het tij hoopte te keren.

Kunstenaar of activist

De laatste jaren twijfelt Jones of hij nog danser/choreograaf is, omdat andere disciplines steeds belangrijker zijn geworden. 

Jones: “Mijn manier van denken heeft veel meer gemeen met wat een schrijver of een beeldend kunstenaar doet. Ik ben vooral bezig met het analyseren van de wereld waarin we leven. Ik ben een kunstenaar die beweging van het menselijk lichaam gebruikt om ideeën over te brengen. Niet alleen daarmee, maar dat is het primaire medium. Ik wil dat een voorstelling een middel is om mensen bij elkaar te brengen en een dialoog te starten. In die zin ben ik activistisch, maar King was een activist en ik ben een kunstenaar. Als het doel van activisme is dingen te veranderen, is mijn kunst dat ook. Het is alleen niet het eerste waaraan ik denk als ik over mijn werk praat. Dat gaat over letting the truth ring in the room. Ik probeer nog altijd mooie dingen te maken. Schoonheid heeft de kracht om verandering op gang te brengen.”

George Floyd

Hebben we een ‘wij’ gevonden tijdens de George Floyddemonstraties? “Een mooie gedachte,” zegt de Amerikaanse choreo­graaf Bill T. Jones desgevraagd. “Ik ben ook blij met de grote opkomst, maar ik ben toch een beetje achterdochtig. Is het niet vooral een reactie op de kramp van de Covid-19-quarantaine waar de deelnemers wekenlang in zaten en een manier om zich te laten zien? De teksten die ze roepen duiden wel op een gemeenschappelijke frustratie, maar ik moet nog zien af of al deze mensen de wereld nu echt willen veranderen.”

“Tijdens de repetities voor Deep Blue Sea heb ik met een grote groep mensen onder andere gewerkt aan twee tegengestelde scènes: hoe ze door een rustige of juist een chaotische wereld heen bewegen. In de eerste veranderen ze vol openheid, alertheid en flexibiliteit van richting. In de andere rennen ze met woedende gezichten voor hun leven. Het is een geabstraheerde vertaling van de twee energieën die in mijn leven altijd aanwezig waren.”

Levensbedreigende ziekte

Werk van choreograaf Bill T. Jones was eerder in het Holland Festival te zien: het duet Valley Cottage met Arnie Zane in 1981 en de musical Fela! in 2011. Twee van zijn andere producties die in Amsterdam gepresenteerd werden zijn D-Man in the Waters (uit 1989) en Still/Here (1993). Laatstgenoemde voorstelling toont video-opnames van mensen die spreken over hun levensbedreigende ziekte.

Zij hadden deelgenomen aan een van de Survival Workshops die Jones, zelf hiv-positief, vooraf in verschillende steden had geleid. In eigen land deed de voorstelling veel stof opwaaien; een recensent weigerde te schrijven over deze ‘slachtofferkunst’.

Na zijn teleurstelling over het niet doorgaan van livevoorstellingen tijdens het Holland Festival van 2020, zegt Jones nu vol vertrouwen uit te kijken naar ‘het tiendaagse digitale ritueel’ waarin plaats is voor fragmenten uit zijn werk, zijn inspiratiebronnen en discussie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden