PlusInterview

Cartoonist Gummbah: ‘Er is nog nooit een goede islamgrap bij me opgekomen. Jammer voor de islam’

Gummbah (Gertjan van Leeuwen). Beeld Erik Smits
Gummbah (Gertjan van Leeuwen).Beeld Erik Smits

Gummbah (pseudoniem van Gertjan van Leeuwen), bekend door zijn absurde cartoons, exposeert voor het eerst zijn schilderijen.


Een half uurtje later dan afgesproken komt Gertjan van Leeuwen (54) galerie Stigter Van Doesburg in de Jordaan binnenlopen. Hij is met de trein uit Tilburg gekomen en dacht dat hij het wel zou kunnen vinden van het station. Niet dus, en hij heeft net een nieuwe telefoon in gebruik genomen, waardoor hij ook geen hulplijnen kon inschakelen. “Ik had zo’n eenvoudige Nokia, nu heb ik een iPhone, maar ik weet nog niet precies hoe die werkt. Volgens mij had ik drie mensen tegelijk aan de lijn.”

Vrijdag opende bij Stigter Van Doesburg de allereerste overzichtsexpo met schilderijen van Gummbah, die vooral bekendheid geniet als cartoonist. Drie keer per week maakt hij er een voor de Volkskrant, vaak over het menselijk tekort, meestal met groteske poep-pies-en-plashumor. Zijn acrylverfschilderijen – de prijzen variëren van 1900 euro tot 4000 euro; originele tekeningen gaan voor 800 euro – zijn van hetzelfde laken een pak: een wielrenner op een weg waarop met grote letters DICK is gezet; een uitgetelde muis, een glas wijn in de hand, met de tekst ‘Almost ready for tomorrow’ erboven. “Maar het zijn geen geschilderde cartoons,” benadrukt Gummbah.

Krijgt u veel lezerspost doorgestuurd?

“Daar zijn ze mee gestopt. Ik kreeg er heel veel, altijd negatief. Die had ik op mijn site gezet; Volkskrantlezers schrijven. ‘Kan die minkukel eruit!?’. Veel woordgrapjes met Gumm… bah, bijna altijd ondertekend met professor zus of drs zo, om hun status duidelijk te maken. Ik vond dat wel geestig, daar doe je het voor.”

Doet het u niets?

“Helemaal niets. Ik weet dat de mensen die het wel leuk vinden niet schrijven. Dat zie je als er brieven in de krant worden geplaatst, dan wordt er direct gereageerd. Overigens waren die professors ook weer beledigd toen ik hun brieven op mijn site had gezet; dat was niet het medium waarvoor het was bedoeld.”

U hebt het inmiddels al 25 jaar volgehouden bij de Volkskrant.

“Pieter Broertjes, de twee-na-laatste hoofdredacteur, heeft me een keer een mailtje gestuurd of het wat minder kon. Dat vond ik wel leuk van hem; hij werd vaak gebeld door boze lezers en was er zelf niet zo van gecharmeerd, maar hij zei altijd: Gummbah blijft gewoon in de krant staan. Petje af.”

Kunt u alles tekenen?

“Ja, ik had vandaag een tekening gemaakt van een mannetje met de tekst erbij: ‘Als iedereen nou even zijn bek houdt lees ik de tussenstand voor’. Dat vond ik wel een goed zinnetje, maar de context ontbrak. Toen heb ik er een ‘Kanker, Aids en Psoriasis Gala ’ van gemaakt en was de buit weer binnen voor vandaag.”

Dus er zijn geen taboes? De islam is ook geen taboe?

“Nee, dat is gewoon mijn wereld niet. Er is nog nooit een goede islamgrap bij me opgekomen. Jammer voor de islam.”

Hoe bent u eigenlijk bij de krant terechtgekomen?

“Ik studeerde op mijn 27ste af aan de Hogeschool voor Journalistiek in Tilburg. Daarna ben ik onmiddellijk naar het UWV gefietst om een schoolverlatersuitkering aan te vragen. ‘Ik heb geen zin om te solliciteren,’ zei ik tegen de ambtenaar. ‘Vindt u het goed dat ik al mijn tijd ga besteden om cartoonist te worden, dan beloof ik dat ik over een half jaar terugkom en mijn uitkering opzeg. Dat vond hij een goede deal. Een half jaar later stond ik voor het eerst in Humo, dezelfde week tekende ik een contract voor mijn eerste boek bij De Harmonie, en niet veel later kon ik aan de slag bij de Volkskrant.”

In 2008 hebt u al in De Hallen geëxposeerd, u hebt een tijdje een galerie gehad – Wetering Galerie – en eind 2019 hebt u From the bottomless pit uitgegeven, een boek met 89 fotografische reproducties van schilderijen die u de afgelopen twintig jaar hebt gemaakt. Toch weet bijna niemand van uw schilderijen.

“De schilderijen die destijds in De Hallen hingen, zijn de vroege voorlopers van wat nu te zien is. Maar ze waren nog niet goed; het heeft jaren geduurd voordat ik daar mijn vorm in heb gevonden. Toen ik voor het eerst doeken en acrylverf had gekocht, hoorde ik een bevriende kroegbaas die mijn werk had gezien zeggen: ‘Het zijn eigenlijk een soort cartoons op doek’. Dat moeten we niet hebben, dacht ik.”

Wat is dan het verschil?

Hij wijst naar een schilderij van een huisje tegen een rode achtergrond. Op het dak staat heel groot ‘zuipkeet’. Ernaast ligt iemand voor pampus en staat een mannetje te braken. “Ik vind ‘zuipkeet’ een geweldig woord, maar alleen een tekening van een zuipkeet vind ik te mager voor een cartoon. Maar als ik iets leuk vind, wil ik er toch wel graag iets mee doen. Dan wordt het een schilderij.”

“Schilderen doe ik in mijn atelier, en later op de dag dan ik mijn cartoons maak, maar verder komen schilderijen min of meer op dezelfde manier tot stand als mijn cartoons. Je moet het gewoon laten gebeuren. En als ze klaar zijn hang ik ze op in mijn atelier en aan de reacties van vrienden merk ik of het goed is.”

Hoe bent u na al die jaren bij deze galerie terechtgekomen?

“Toen ik From the bottomless pit had gemaakt, dacht ik: nu komt het vanzelf, nu word ik gebeld door een galerie, maar er gebeurde niks. Toen ben ik mijn schilderijen op Instagram gaan zetten; ik kreeg veel hartjes, maar verder niks. Een half jaar geleden heb ik Oscar van Gelderen gebeld - ik kende hem een beetje van vroeger. Sindsdien is hij mijn manager. En nu heb ik een tentoonstelling in Amsterdam en eind van het jaar zijn mijn schilderijen te zien in Antwerpen.”

Ziet u zichzelf nu als kunstenaar?

Na een korte aarzeling. “Nou vooruit.”

In uw cartoons neemt u de kunstwereld vaak op de hak, nu maakt u er zelf deel van uit.

“Ik voel het woord ‘spagaat’ aankomen… Ach, ik ga graag naar musea, maar in elk museum is 99 procent slecht, vind ik, maar er zit ook altijd wel iets tussen waardoor ik van mijn sokken word geblazen.”

Kijkt u dan ook naar mensen die naar kunst kijken?

“Ja, zo heb ik al heel wat wonderlijke gesprekken opgevangen. Veel mensen die naar het museum gaan zijn babyboomers, die ervan uitgaan dat alles, maar dan ook alles wat in een museum hangt heel goed is. Want anders zou het niet in een museum hangen. Die lopen krom van de welwillendheid door een museum en willen het goed vinden – dan krijg je een verkramptheid die heel geestig kan uitwerken.”

Loopt u ook als een spion op uw eigen opening rond?

“Een paar jaar geleden heb ik in een galerie in Friesland geëxposeerd. Dat was verschrikkelijk; ik werd uitgekotst door de mensen die daar rondliepen. Niets verkocht. Nu is het anders, denk ik. Maar het zou wel wat zijn dat mensen niet durven komen uit angst dat ze te kakken worden gezet door de maffiabaas van het absurdisme.”

Gummbah: Paintings. Stigter Van Doesburg, Elandstraat 90, t/m 20/11.

null Beeld  Joyce van Belkom
Beeld Joyce van Belkom
null Beeld Joyce van Belkom
Beeld Joyce van Belkom
null Beeld  Joyce van Belkom
Beeld Joyce van Belkom
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden