Plus Interview

Blokfluitist Erik Bosgraaf: ‘Muziek spelen alsof het van jezelf is, dat overtuigt’

Erik Bosgraaf is een van de beste en veelzijdigste blokfluitisten ter wereld. Hij speelt van barok tot modern en schrikt ook niet terug voor vrije improvisaties met Yuri Honing.

Erik Bosgraaf. Beeld Sjaak Verboom

Erik Bosgraaf speelt blokfluit, maar wie daarbij denkt aan keurige recitals met de gebruikelijke stukken uit de barok, kan er niet verder naast zitten. Bosgraaf is een universeel musicus. Zijn repertoire is uitzonderlijk breed en loopt van de muziek van Van Eyck, via uiteraard Händel en Telemann, tot Dialogue de l’ombre double van Boulez, werken van Theo Loevendie, Willem Jeths, Louis Andriessen en vrije improvisaties met laptopelektronicus Jorrit Tamminga en, op de onderschatte cd Hotel Terminus (2012), met de geweldige saxofonist Yuri Honing en verder elektrische gitaar, bas en drums.

Wat staat van alle muziek die je speelt het dichtst bij jezelf?

“Ik improviseer veel en dat is muziek die echt uit mezelf komt. Dat zijn geen noten van anderen, maar van mij. Bij al bestaande muziek van anderen is dat het punt dat je moet zien te bereiken – dat je ook die muziek speelt alsof ze van jezelf is. Pas dan wordt het echt overtuigend. En dat kan bij oudere muziek heel goed, al was het maar omdat daarvan maar zestig procent is genoteerd. De dynamiek wordt niet aangegeven, de rechterhand van de klavecimbelpartij en alle versieringen mag je zelf verzinnen en noem maar op en dan kom je al in de buurt van improviseren. Er bestaat van die stukken geen absolute utopie waar je naar toewerkt. Je doet het elke keer weer anders. Je zou het bijna kunnen vergelijken met The Real Book vol jazzstandards, waar alleen de melodie en de akkoorden zijn aangegeven. De andere kant van het spectrum is Dialogue de l’ombre double van Boulez, waarin ik me twintig minuten vol overgave uitlever aan de grillen van de Franse meester. Dat heb ik op de cd omwille van het broodnodige contrast aangevuld met een geïmproviseerde soundscape, samen met Jorrit Tamminga.”

Is er een verschil in techniek tussen heel oude en heel nieuwe muziek?

“Jazeker. De barokmuziek gaat meestal niet verder dan drie mollen en drie kruisen. De blokfluit is in principe ook geen chromatisch instrument. Om die halve tonen te kunnen spelen, moet je met vorkgrepen werken, maar die klinken nooit gelijk. Dat vonden ze in de romantiek lelijk, dus toen hebben ze een ingenieus kleppensysteem bedacht. Daardoor klonken die halve toonafstanden opeens mooi gelijk, maar ik vind dat daardoor ook de charme ervan is verdwenen. In de barok gaat het júist om die ongelijkmatigheid, die grilligheid, die onvoorspelbaarheid, vind ik. Het wordt er ook moeilijker door voor de musicus. Denk aan het verschil tussen een klavecimbel en een piano. Op een klavecimbel klinkt een foute noot net zo hard als een goede.”

Op je nieuwe cd speel je stukken uit de barok die aan Nederland zijn gerelateerd. De keuzemogelijkheden moeten enorm zijn geweest. Hoe bepaal je het programma van zo’n cd?

“Dat is een hele uitzoekerij. Het is minder vastomlijnd dan op vorige cd’s toen ik alle muziek voor blokfluit van Händel of Telemann speelde. Bij dit project was dat anders. Er zijn zo godvergeten veel blokfluitsonates uit de Nederlanden uit deze periode, dat is echt niet te geloven. Alleen al Jean-Baptiste Loeillet de Gant heeft er meer dan honderd geschreven en Johann Christian Schickhardt ook zoiets! Aan het begin van de achttiende eeuw was de blokfluit ongelooflijk populair. Iedereen bespeelde dat instrument. Voor deze cd heb ik samen met klavecinist Francesco Corti keuzes gemaakt, met vetorecht voor ons beiden. Daar is overigens maar spaarzaam gebruik van gemaakt.”

Wat bij jou opvalt, is je prachtige toon, waardoor de blokfluit niet meer als een blokfluit klinkt, maar als een soort shakuhachi.

“Wat ik nastreef is een gelaagde klank. Je wilt niet weten hoe vaak componisten al niet tegen me hebben gezegd: ‘Ik wil graag iets voor je schrijven, maar laat je blokfluit vooral niet als een blokfluit klinken’. Ik begrijp wat ze zeggen. Ik heb ook een hekel aan die eendimensionaliteit. Het punt bij de blokfluit is dat je geen lipspanning nodig hebt. Dat heb ik in Klokhuis ooit gedemonstreerd door de blokfluit met m’n neus te bespelen. Dat hoef je met een hobo of een klarinet niet te proberen. Hoe je een klank maakt, en nu wordt het heel vaag, heeft alles te maken met klankvoorstelling. Een zanger heeft ook geen lipspanning om zijn klank voort te brengen. Dat is iets dat je in de loop van de jaren ontwikkelt. Ik heb jaren in een rockband gespeeld en ook daar gaat het alléén maar over sound, terwijl het in de westerse muziek vooral over toonhoogte gaat, maar daar zet ik me dus een beetje tegen af. Het blijft een zoektocht.”

Erik Bosgraaf, Francesco Corti, Unico Wilhelm van Wassenaer and the Recorder in the Low Countries (Brilliant Classics).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden