PlusInterview

Auteur Jen Beagin over de ranzige avonturen van Mona: ‘Niets goorder dan frettenpies’

De Amerikaanse auteur Jen Beagin schreef twee romans over antiheldin Mona, schoonmaakster met een hang naar de zelfkant die niet geheel ontoevallig op de auteur lijkt. Beide boeken zijn gebundeld als Stofzuigen in het donker.

Mona is een personage dat je haast tegen je zin besluipt. Ze is bepaald geen doorsnee kletstante/ interieur­verzorgster.Beeld Getty Images

Mona verscheen in 2015 voor het eerst ten tonele, in Jen Beagins debuut Pretend I’m dead – een schoonmaakster met een hang naar dagdromen en de zelfkant. Ze heeft een bijbaan in een naaldenuitgifte, waar een klant opvalt omdat hij behalve gebruikte spuiten bibliotheekboeken bij zich heeft. ‘Meneer Getver’ noemt ze hem, om in een ongezonde liefdesaffaire terecht te komen en daarna van Nergenshuizen naar New Mexico te verhuizen.

In 2019 verscheen Beagins tweede Mona-roman, Vacuum in the dark, waarin Mona in nog getroebleerder omstandigheden dreigt te verzanden – entree voor ‘meneer Duister’ en een Hongaars kunstenaarsechtpaar. Haar talent als fotograaf ontluikt als ze zichzelf in de huizen van haar cliënten in hun kledij fotografeert, en ze in haar hoofd de (werkelijk bestaande) radiohost Terry Gross als leidsvrouwe heeft.

Het even geestige als vervreemdende (en bijwijlen ranzige) tweeluik is in één band uitgegeven door Atlas Contact. Mona is een personage dat je haast tegen je zin besluipt. Ze is verre van de doorsnee kletstante-interieurverzorgster; ze stelt eer in haar werk en strooit met de ‘kneepjes van het vak’ (zwabber: beter een Spaanse mop dan de platte microfibervariant). Ze heeft zich in haar schulp teruggetrokken en kent tegelijk alle geheimen van haar klanten (en plundert hun medicijnkastjes op alles wat maar verdooft).

Ook Beagin (tegen de 50, maar haar precieze leeftijd blijft onbenoemd) maakte ooit huizen schoon. Ze lijkt fysiek op de hoofdpersoon die ze beschrijft (lang, zwart haar, heeft ‘iets van een inheemse’) en net als Mona streeft ze een solitair bestaan na. Het interview gaat per mail. In tijden van corona heeft ze zich ergens in de bossen teruggetrokken, bereik is er slechts sporadisch. “Ik leef nu al zoveel jaar als een soort kluizenaar, voor mij maakt het niet zoveel uit. Het enige verschil is dat ik me nu niet meer schuldig hoef te voelen dat ik antisociaal ben.”

Uw boeken over Mona zijn in Nederland gepubliceerd, met de aankondiging dat er een derde Monaboek komt. Is dat zo?

“Nee, ik ben op vakantie van Mona en dat had ik heel hard nodig, Ik werk nu aan een roman over een sekstherapeut van in de veertig.”

Is het verhaal van Mona uw manier om vorm te geven aan uw verleden? In het dankwoord van Doen alsof ik dood ben schrijft u over gebrek aan zelfvertrouwen en dat uw leven nu ‘wat minder absurd’ lijkt.

“Laat ik het zo zeggen: ik ken Mona zo goed als mijzelf en we hebben geen geheimen voor elkaar. We hebben allebei huizen schoongemaakt in Taos, New Mexico. Mona is wel een paar jaar jonger dan ik destijds was.”

“Vlak daarna heb ik besloten een opleiding te gaan volgen. Op mijn 35ste begon ik aan de University of Massachusetts, altijd de oudste in de klas. Mijn eerste Monaverhalen heb ik in die periode geschreven. Ik denk dat dat voortkwam uit een behoefte om de periode dat ik wc’s schoonmaakte minder zinloos en absurd te maken voor mezelf, een beetje grip te krijgen op mijn verleden. Een soort wensvervulling, dat ja, het allemaal toch ergens toe had gediend.”

Mona stelt eer in haar werk en is extreem grondig. Toch: de lol van schoonmaken?

“Ik vond het zelf altijd leuk dingen schoon te maken die mensen over het hoofd zien. Kandelaars, plafondventilatoren, lichtknoppen. Kleverige potten jam in de koelkast. Groentelades. Vieze kruidenpotjes. Tandpastahouders, haarborstels. Vuilnisbakken. Muren.”

Mona gaat over tot automutilatie, iets wat u zonder drama beschrijft. Het is een van de eerste aanwijzingen naar het trauma achter dat schoonmaakschort. Uw boeken worden aangeprezen als droogkomisch en grappig – maar er zit veel pijn in.

“De humor is zo bedoeld en de mijne, dus ik ben blij en vereerd als mensen mijn boeken grappig vinden. Maar ik wilde de lezers ook een beetje aan het huilen brengen. Als ik allebei bereik: een paar keer lachen, een paar tranen, dan zal ik waarschijnlijk blijven schrijven – ook al ga je ondertussen door de hel en is het niet de slimste manier om geld te verdienen.”

“Mona is in staat heel direct en nuchter over serieuze zaken als seksueel misbruik en automutilatie te praten – dingen die ik zelf heb meegemaakt – omdat ze zichzelf niet als slachtoffer ziet. Ze geeft niet de omstandigheden de schuld van haar problemen, ze realiseert zich dat het conflict in zichzelf schuilt. Zoals iedereen heeft ze aanvallen van zelfmedelijden, maar ze is niet iemand die jaren gaat zitten zwelgen. Wat dat betreft is ze veel rijper en zelfbewuster dan ik op haar leeftijd was. Als ik deze boeken had geschreven als twintiger waren ze veel somberder en grimmiger geweest. Ik ben pas op mijn veertigste begonnen aan mijn eerste roman. Toen had ik genoeg afstand van mijn eigen verhaal voor die lichte toets.”

Hoe kwam u op Mona’s denkbeeldige vriendin ‘Terry Gross’? Wat vindt de echte Terry ervan?

“Het schoonmaken van andermans huizen kan ontzettend eenzaam zijn. Het is iets heel anders dan je eigen huis schoonmaken. Je bevindt je tussen de spullen en souvenirs, de smaak en geur van anderen. Het voelt soms of je in iemand anders droom zit. Het is intiem, onthullend en ook vervreemdend. Ik luisterde naar Terrys show Fresh Air als ik schoonmaakte, en ik liet me daarna door haar ‘interviewen’. In mijn hoofd, dus. Dat was vaak over iets waar ik boos over was of me schuldig over voelde, bij haar kon ik dat kwijt. Ik weet niet of ze weet van haar belangrijke rol in mijn boek – mijn uitgever heeft haar allicht een exemplaar gestuurd. Ik hoop maar dat ze het niet heel verschrikkelijk vindt.”

Kunt u zich voorstellen dat ik kokhalsneigingen kreeg bij de scène waarin u menselijke poep aantreft in een zeepbakje? Echt gebeurd?

“Geen menselijke poep, godzijdank. Wel heel veel andere poep: van papegaaien, in een huis waar ze los waren, konijnen, fretten – er is niets goorder dan frettenpies. En meer dan poep en pies … De vlekken die je tegenkomt – bloed, etensresten, sperma.”

Door de huizen waar Mona schoonmaakt leren we de bewoners en hun levensverhalen kennen. Heeft dat u ook later geïnspireerd?

“Ik heb schoongemaakt in Santa Cruz, San Francisco en Taos, waar schoonmaaksters doorgaans Mexicaans, Zuid-Amerikaans of Oost-Europees waren. Het bracht klanten soms uit hun evenwicht dat ik er niet uitzag als het soort schoonmaakster dat ze gewend waren. Ik leek op mijn klanten, kon met ze praten over de kunst aan hun muur en de boeken in hun kast. Ik was niet totaal onzichtbaar, zelfs niet als ik dat liever wel wilde zijn; en de grenzen waren niet altijd even duidelijk. Ja, ik maakte hun wc schoon en dat wisten ze maar al te goed, maar vaker wel dan niet werd ik bejegend als therapeut, medekunstenaar, vriendin, de dochter die ze nooit hadden gehad. Dat heb ik bij het schrijven allemaal gebruikt – juist dat heeft me geïnspireerd om te gaan schrijven.” 

Jen Beagin, Stofzuigen in Het donker. Vertaald door Astrid Huisman en Roos van de Wardt, Atlas Contact, €24,99, 224 blz.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden