PlusHolland Festival 2021

Associate artist Gisèle Vienne: ‘Ik wil een nieuwe taal vinden’

Gisèle Vienne is terug op het festival, dit keer als associate artist. Ze maakte L’Étang, over een ­moeder-zoonrelatie ­vertolkt door twee vrouwen, en ­Kindertotenlieder – ­zonder Mahler, maar met metalgitaar. ‘We begrijpen elkaar, denken we.’

Ruth Vega Fernandez (links) en Adèle ­Haenel in L’Étang. Beeld Estelle Hanania
Ruth Vega Fernandez (links) en Adèle ­Haenel in L’Étang.Beeld Estelle Hanania

“De kunstmatigheid van theater is niet méér kunstmatig dan de samenleving waarin we leven.” Gisèle Vienne (Charleville-Mézières, Frankrijk, 1976) is er stellig over. Moeder, vader, zoon, dochter – het zijn rollen die een mens krijgt opgelegd. Ze voorzien haar of hem impliciet van een pakket ‘regie-aanwijzingen’ op het gebied van taal, bewegingsvrijheid en relaties.

Voor haar nieuwe voorstelling L’Étang, waarvoor ze zich liet inspireren door Der Teich, een verhaal over een moeder-zoonrelatie van Robert Walser uit 1902, koos Vienne twee vrouwelijke acteurs: Adèle Haenel en Ruth Vega ­Fernandez.

“Dat is opmerkelijk, maar tegelijkertijd is het geen enkel probleem. Het betekent zeker iets, maar een ­acteur speelt altijd een personage waarmee hij of zij niet samenvalt. Een vrouw kan een vrouw spelen, of een moeder – ongeacht of ze zelf moeder is – maar ook een man dus, of een kind.”

In L’Étang differentieert Vienne het rollenspel nog een stap verder. Vega Fernandez speelt twee verschillende vrouwen en transformeert daarna tot man. Haenel leeft zich in de rol van moeder in, maar ook in de positie van een jonge jongen.

“De winst is dat we het hierdoor eens echt over dat on­derwerp kunnen hebben. Het is namelijk lang niet voor ­iedereen duidelijk hoe het zit. We beginnen bij de biologie: er zijn vrouwen, mannen en hermafrodieten. Over die laatste groep praten we bijna nooit, maar er zijn er veel van. Daarbovenop komen de culturele constructies van de verschillende vastomlijnde genders. Wat zo interessant is aan theater: je speelt met diverse tekens. Daarmee kun je experimenteren en perspectieven laten schuiven.”

Rebellerende poppen

Vienne, die eerst filosofie studeerde en daarna als poppenspeler werd opgeleid, laat haar personages uit het frame breken van conventionele combinaties tussen lichaam, stem en verhouding tot de ander.

“Mijn contract met het publiek is om het hekwerk te openen. Waar het mij om gaat, is een nieuwe taal vinden waarmee we samen in dialoog kunnen gaan. Het ene noemen we een auto, het andere een man. We begrijpen elkaar, denken we. Maar we zouden ze ook heel anders kunnen ­noemen, er is niets natuurlijks aan. Dan zouden we alles anders kunnen zien en de wereld opnieuw organiseren. Juist omdat begrippen constructies zijn, kunnen we andere keuzes maken. Met als uitgangspunt de vraag: in wat voor een wereld willen we leven en wie willen we zijn?

Om de zoektocht kracht bij te zetten, voert Vienne naast de twee levende lijven van de actrices ook acht poppen ten tonele. Ze zijn gemaakt met Raphaël Rubbens en Dorothéa Vienne-Pollak, beeldend kunstenaar en haar moeder, en verwijzen allemaal naar Fritz: de zoon uit het oorspronkelijke verhaal.

“Walsers verhaal is natuurlijk een individueel verhaal, maar het is ook collectief, meer universeel. Fritz resoneert in andere jonge mensen. Die poppen werken als een negatief, in die zin dat het objecten zijn. Maar het zijn wel heel specifieke objecten: we herkennen ze, zien onszelf erin en projecteren er van alles op. Hoe zien we de lijven en levens van de verschillende personages als we ze vergelijken met de poppen? Voor mij zijn de poppen allemaal tieners: ­immobiel maar very alive. Wat zegt het over hen als ze niet spreken of bewegen? Is het rebellie?”

Dat laatste zou goed kunnen, want de jonge Fritz voelt zich niet geliefd. Hij stelt zijn moeder op de proef door te doen alsof hij in de vijver verdrinkt. Ze zegt dat ze van hem houdt, maar uit haar daden spreekt iets anders. Is het soms de stem van de vader waarmee ze spreekt? Is genegenheid agressie, is een ouderlijk huis geen veilig nest? Op het gebied van liefde raakt de man-in-wording het spoor bijster.

Eerst aanhalen en zoenen, dan uitkleden, wegduwen en tegen de besneeuwde vlakte slaan. Ook in Kindertotenlieder zien we jonge mensen die klem zitten tussen hun hormonen, gevoelens en maatschappelijke regels. Het ene moment hangen ze er totaal apathisch bij, het volgende vertonen ze een heftige eruptie van agressie.

Inspiratiebronnen: niet de gedichten met dezelfde titel die Felix Rückert honderdtwintig jaar geleden schreef ter ere van zijn twee overleden kinderen, of de muziek die ­Gustav Mahler eraan toevoegde. Wel de black metal- en rockmuziekscene in Berlijn, waar Vienne begin jaren ­negentig woonde voor ze naar Parijs verhuisde. Meer in het bijzonder, de connectie tussen ideeën uit de laat-romantiek en de metalthematiek van liefde, geweld en dood.

Verschillende lagen

“Er zit geen Mahler of Rückert in mijn stuk. De muziek die je hoort is van componist Peter Rehberg en metalgitarist Stephen O’Malley. Wij vertalen de titel als: songs van gestorven kinderen.”

Ook de jacht op demonen tijdens de traditionele Oostenrijkse midwinter-Perchtenlauf en Freuds ideeën over het unheimische neemt Vienne mee in haar regie; robots maken deel uit van de cast. De dramaturgische lijn haalt ze uit de tekst van Dennis Cooper over een jongen die terugkeert na zijn dood om uit te zoeken wat er is gebeurd.

‘Een heel sterke artistieke ontmoeting.’ Zo omschrijft Vienne haar ontmoeting met Cooper zeventien jaar geleden. “Hij is het type mens tegen wie je meteen zegt: ik weet waar je het over hebt.”

Inmiddels creëerden ze samen een hele reeks theaterproducties – waaronder The Pyre, dat in 2013 op het festival te zien was – plus een compleet festival in Centre Pompidou met de titel Teenage Hallucination. Amerikaan Cooper ­begon met schrijven in zijn tienerjaren, voegde zich later bij de Engelse punkscene, woonde een tijd in Amsterdam – waar hij de eerste novelle schreef van zijn beroemde George Miles Cycle over homoseksualiteit en geweld – en werkte in Los Angeles onder anderen samen met John Zorn.

Hoe heeft Vienne hem ontmoet? “In eerste instantie via zijn boeken. Toen ik vervolgens in 2003 begon met I apologize, schreef ik hem dat ik met hem wilde ­samenwerken. Ik wilde geen goedkeuring om een tekst van hem te gebruiken, ik wilde dat hij echt iets voor mijn voorstelling schreef en de mogelijkheid om tijdens de repetities intensief in dialoog te gaan. Toen hij een jaar later naar ­Parijs verhuisde, liet ik hem een schets van mijn nieuwe stuk zien. Hij was meteen geïnteresseerd.”

“We hebben het vaak over de verschillende lagen die in een taal existeren, ook over non-verbale taal. Hij komt uit de kunstscene in het Los Angeles van de jaren zeventig, waar een hoop gebeurde op het gebied van muziek en beeldende kunst. Hij is ook recensent geweest en heeft veel kennis over uiteenlopende kunstvormen. Daardoor ­begrijpt hij de dialoog heel goed tussen de verschillende disciplines op het podium. Het was mijn idee om aan een productie samen te werken, maar in de loop der jaren werd onze connectie alleen maar sterker.”

Oneindige strijd

Gaandeweg ontvouwt zich een oeuvre dat gepresenteerd wordt op tal van internationale podia en waarin adolescenten een rode draad vormen. Dat is ook het geval in Crowd, Viennes voorstelling over samen losgaan op technomuziek, die twee jaar geleden op het festival te zien was.

“Ik zie de tienerjaren als een tijd van zware worstelingen omdat dat de periode is waarin je karakter zich vormt, terwijl de maatschappij met allerlei verwachtingen probeert binnen te dringen in jouw intimiteit. Het gedrag van ­tieners wordt vaak toegeschreven aan hormonen, maar die doen het niet alleen. Het is geen teenagecrisis die we zien, het is een existentiële en politiek-maatschappelijke crisis die door ze heen gaat. Ik denk dat wij er als volwassenen nog steeds mee moeten dealen. Het is een strijd die nooit klaar is.”

L’Étang, 5 t/m 8 juni, Internationaal Theater Amsterdam, 20.00 uur, €15-€34.

Kindertotenlieder, 17 en 18 juni, Zuiveringshal West, ­Westergas, 20.30 uur, €12-€34.

3x Holland Festival favorieten van Gisèle Vienne

“Dit zijn drie hele goede kunstenaars. Ze zijn enorm getalenteerd, volgens mij behoren ze tot de meest interessante theatermakers van deze tijd. Het zijn totaal verschillende regisseurs. Wat ze gemeenschappelijk hebben, is dat ze allemaal proberen nieuwe vormen van theater uit te vinden, eigen artistieke ­talen. Dat is de kwestie waarover Ryuichi ­Sakamoto en ik uitgebreid hebben gesproken: wie vertelt andere verhalen, of bekende verhalen op een andere manier. De vraag hoe kunstenaars ons perspectief kunnen laten schuiven is cruciaal. Zo creëer je een beweeglijke wereld en kun je een samenleving in beweging brengen. Wie naar deze voorstellingen komt, maakt een complete reis.”

Dorothée Munyaneza

(Rwanda, 1982), Mailles

Zes kunstenaars met Afrikaanse roots spreken zich uit over hun ervaringen met geweld, terwijl ze tegelijkertijd hun vrouwelijke kracht vieren. Er ontstaat een veelkleurig weefsel van onder andere spoken word en flamencodans, dat laat zien hoezeer ze verbonden zijn.

Phia Ménard

(Frankrijk, 1971), Maison Mère

Athena – beschermgodin van handwerks­lieden, kunstenaars, beschaving en weloverwogen strijd – bouwt een Parthenon van bordkarton als veilig onderkomen voor de dakloze en vluchtende medemens. Zij/hij blijft echter weerloos tegen de elementen.

Marlene Monteiro Freitas

(Kaapverdië, 1979), Pierrot Lunaire

Een droevige clown beweegt zich door een hedendaags klanklandschap van spraak en zang, expressiviteit en intimiteit. Klang­forum Wien speelt Arnold Schönbergs compositie, terwijl Sofia Jernberg met haar stem jongleert.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden