Archief Gerrit Kouwenaar naar Literatuurmuseum

Het Literatuurmuseum in Den Haag heeft de literaire nalatenschap van de in Amsterdam geboren en gestorven Gerrit Kouwenaar (1923-2014) gekregen. De erfenis van circa 10 strekkende meter beslaat meer dan zeventig jaar literatuurgeschiedenis, aldus een woordvoerder.

Gerrit Kouwenaar in 1966. Beeld ANP

Aad Meinderts, directeur van het Literatuurmuseum, is er extra verguld mee omdat de stukken een belangrijke aanvulling zijn bij wat het museum al heeft over de literaire beweging de Vijftigers: “Het fantastische archief van Kouwenaar was de missing link van de Vijftigers-archieven die het museum reeds beheerde.”

In de nalatenschap bevinden zich brieven van collega’s als Bernlef, Remco Campert, Hans Faverey, Willem Frederik Hermans, Lucebert en Leo Vroman. Ook omvat de collectie foto’s en persoonlijk materiaal, waaronder stukken uit Kouwenaars tijd als verzetsman. Ook zitten er handgeschreven versies van Kouwenaars gedichten in.

Kouwenaar bracht in 1941 zijn eerste bundel Vroege voorjaarsdag in eigen beheer uit. Ook publiceerde hij in een aantal illegale bladen, waarvoor hij nog een half jaar gevangenisstraf kreeg.

Na de Tweede Wereldoorlog sloot hij zich aan bij de Vijftigers, de dichtersgroep waar ook Hugo Claus en Lucebert deel van uitmaakten. Hij scheidde zich al weer redelijk snel af van de Vijftigers en hun spontane en experimentele poëzie om een hele nieuwe weg in te slaan. In de jaren zestig en zeventig schreef hij vooral hermetische taaltheoretische gedichten (meer bedachtzame gedichten dus).

In de jaren negentig wist Kouwenaar een groter publiek voor zich te winnen doordat zijn poëzie persoonlijker werd. Misschien dat de dood van dierbaren uit zijn omgeving daar ook een bijdrage aan had geleverd. Voor veel van zijn overleden vrienden, zoals Hans Andreus, Jan G. Elburg en Lucebert schreef hij een afscheidsgedicht.

Kouwenaar was tegen het idee van poëzie als troost. ‘Als je daarnaar op zoek bent moet je maar naar de kerk gaan, naar een dominee, niet naar een dichter, denk ik,’ zei hij in de documentaire Totaal witte kamer. ‘Dichten is vooral een kwestie van maken. Het doel van de kunst is iets uit de tijd te trekken, even stil te zetten wat nog stil blijft staan als jij weer weg bent.’

Het dichten ging de dichter de laatste jaren moeizaam af, vertelde hij in een interview voor Cultura/NPS (2008). ‘Ik kan niet meer overzien of wat ik gemaakt heb, geslaagd is. Nu ben ik die zekerheid kwijt.’ Hoewel hij dat betreurde, was hij er ook nuchter over: ‘Gewoon een kwestie van ouderdom.’

Kouwenaar heeft een oeuvre van 25 dichtbundels en vijf romans achtergelaten. Zijn werk werd veelvuldig bekroond met prijzen. Zo ontving hij onder meer de P.C. Hooftprijs in 1970, de Prijs der Nederlandse Letteren in 1989 en de VSB-poëzieprijs in 1997.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden