Plus

Afwijkende tics, vreemde neigingen, rare loopjes, krankzinnige uitspraken– Howland portretteert weergaloos haar medepatiënten

Bette Howland portretteert de waanzin van haar medebewoners op de psychiatrische afdeling in Paviljoen 3 nauwgezet, maar raakt het meest als ze haar blik op zichzelf richt.




Marij de WIt
Een psychiatrische instelling in Engeland, 1946.  Beeld Getty Images
Een psychiatrische instelling in Engeland, 1946.Beeld Getty Images

‘Waar ben ik? Op een psychiatrische afdeling. Oké, dat betekent dat al die anderen gek moeten zijn.’ Bette Howland (1937-2017) hoorde niet thuis op de psychiatrische afdeling waar ze in 1968 na een overdosis was opgenomen – althans, dat vond ze zelf. Net als alle nieuwkomers was zij er bij aankomst absoluut van overtuigd dat er met al die anderen wel wat mis was, maar dat zij daar zelf toch echt niet bij hoorde.

Howland was een jonge alleenstaande moeder van twee zoons, met een baan en schrijfambities, maar het leven was haar steeds zwaarder gaan vallen. Een tijd lang had ze last van slapeloosheid en ze werd geplaagd door morbide gedachten: ‘Ik droomde van vreemde, levensechte handelingen: de glinstering van scheermesjes die in mijn polsen sneden en zaagden. (…) Zelfmoordgedachten waren regel geworden; ik sleepte ze met me mee als een last.’

Ze nam een overdosis slaappillen, maar realiseerde zich al snel dat ze eigenlijk helemaal niet dood wilde. Ze belde het noodnummer en ontwaakte op de intensive care van het ziekenhuis. Ze was volkomen uitgeput, lusteloos, haar stem deed het niet meer en ze kon alleen maar fluisteren. Haar goede vriend, de grote schrijver Saul Bellow, raadde haar aan haar eigen ongeluk te gebruiken in haar schrijven.

In Paviljoen 3 beschrijft Bette Howland wat ze na haar overdosis meemaakte. Beginnend op de ic en eindigend met een terugkeer naar haar normale bestaan, beslaat het grootste deel van het boek haar verblijf op de psychiatrische afdeling Paviljoen 3. De memoires die oorspronkelijk in de jaren zeventig verschenen, werden herontdekt door een redacteur van een Amerikaans literair tijdschrift.

Eenvormigheid

Door een longaandoening als gevolg van haar overdosis krijgt Howland als een van de weinigen op de afdeling geen kalmerende middelen. Dit stelt haar in staat de afdeling en haar medebewoners glashelder te observeren. Dag en nacht is het een komen en gaan van schoonmakers, artsen in hun witte jassen, geneeskundestudenten, bezoekers, en natuurlijk de bewoners zelf.

‘Het eerste dat me opviel was de eenvormigheid van ieders voorkomen, de onverschilligheid in de gezichten, kleding. Iedereen zag er in wezen hetzelfde uit – zonderling.’ Dat de meeste bewoners zijn gedrogeerd, heeft zijn weerslag op hun uiterlijk: ‘Je gezichtsspieren verslappen; de spieren doen hun dagelijkse werk niet meer: het ophouden van de kin en strak houden van de lip. De oogleden zakken; de wangen hangen, de mond wordt week. En toch heeft het allemaal ook iets gefixeerds, iets stijfs, een andere vorm van een masker; een onveranderlijke uitdrukking.’

De bewoners hebben het eigenlijk altijd druk: met hun uiterlijk, met hun eigen ziekte, met de artsen, maar vooral ook met elkaar. Ze worden door de staf gestimuleerd om een gemeenschap te vormen, met eigen regels, zelfbestuur en vooral eindeloos veel vergaderingen. De vergaderingen duren en duren, waar ze precies over gaan is niet duidelijk.

Onderlinge competitie

Vol humor laat Howland zien hoe de bewoners tegen elkaar opboksen, hoe ze in een onderlinge competitie zijn verwikkeld over wie de meest uitzonderlijke aandoening heeft. Zo tekent ze een scène op waarin de bewoners een spel spelen: iedereen imiteert een van de anderen, de rest raadt wie er wordt nagedaan. Ze gaan zich te buiten aan de imitaties, vergroten de toch al excentrieke trekken van de ander uit.

Afwijkende tics, vreemde neigingen, rare loopjes en krankzinnige uitspraken: de bewoners trekken alles uit de kast om andermans gekte zo goed mogelijk na te doen. De vrouw die de dagelijkse maaltijd nuttigt in haar galajurk met zijden handschoenen tot aan haar oksels; de jonge Trudy die iedereen ten huwelijk vraagt en de treurige Gerda die eindeloos blijft praten over een meisje dat ze kende dat zelfmoord pleegde – en dan uiteindelijk zelf uit het raam springt.

Howland portretteert haar medebewoners nauwgezet en diept hen in enkele schetsen uit, haar beschrijvingen van de markante bewoners zijn weergaloos. De artsen en de rest van de staf blijven vrijwel onbesproken: ‘Uiteindelijk waren in feite alleen de patiënten belangrijk, konden alleen zij iets voor elkaar betekenen.’

Maar wat voelde Bette Howland zelf? Wat ging er door haar heen in de tijd na haar overdosis? En wat deed het verblijf op de afdeling met haar? Zoals Howland na haar overdosis een tijdlang haar stem kwijt is, spreekt ze als verteller in dit boek ook op fluistertoon. Door haar ziekte verkeerde ze in een toestand van afwezigheid van gevoelens, zo schrijft ze: ‘Ik had geen ‘stemming’, dat wil zeggen, ik had niets extra’s.’

Om zich over te kunnen geven aan haar ziekte en herstel moest ze zichzelf loslaten, opgaan in de gemeenschap van Paviljoen 3. ‘Ik had mijn doel bereikt. Had mezelf op het punt gekregen waar ik zijn wilde. Niet op een psychiatrische afdeling, dat was het doel niet; maar vrij – vrij van mijn eigen persoonlijkheid, van mijn specifieke geschiedenis.’ Howland weet het meest te raken met dit soort inkijkjes in haar eigen ziekteproces, die zeldzame momenten dat er tussen haar scherpe observaties over anderen door, af en toe opeens wat van haarzelf door schittert.

Bette Howland moest opgaan in de gemeenschap van Paviljoen 3. Beeld Jacob Howland
Bette Howland moest opgaan in de gemeenschap van Paviljoen 3.Beeld Jacob Howland

De psychiatrische afdeling in de literatuur

De wankele geest van de mens houdt schrijvers al eeuwenlang bezig. Sophocles, Euripides en Seneca maakten de geesteszieke al tot personage, en eeuwen later deed Shakespeare hetzelfde. Goethes Werther, de patiënten uit Tsjechovs korte verhaal Zaal 6, Henri Osewoudt uit Hermans Donkere Kamer van Damokles en Couperus’ Eline Vere zijn slechts een greep uit de talloze door geestesproblemen gekwelde personages uit de wereldliteratuur. Ook schrijvers zelf zijn lang niet altijd gevrijwaard van mentale demonen. Iedereen kent wereldberoemde voorbeelden als Virginia Woolf en Sylvia Plath, en dichter bij huis Jan Arends, Gerrit Achterberg en J.M.A. Biesheuvel. Enkele leestips: Richard Yates, Een geval van ordeverstoring; Rogi Wieg: Kameraad scheermes; Myrthe van der Meer: PAAZ; A.K. Benjamin: Laat me toch niet gek zijn: verhaal van een rafelende geest. En over waanzin in de literatuur schreef Pieter Steinz een prachtig essay: Waanzin in de wereldliteratuur.

Bette Howland: Paviljoen 3. Vertaald door Barbara de Lange. Uitgeverij Koppernik, €23,50, 240 blz.

null Beeld -
Beeld -
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden