PlusDe erelijst

1971: Derek Baileys plaat laat zijn luisteraars in verwarring achter

In deze rubriek bespreekt de muziekredactie van Het Parool een klassieker uit de geschiedenis van pop, jazz of klassieke muziek, die het – zeker in deze tijden van thuisblijven – waard is opnieuw te beluisteren. Deze keer: Solo Guitar van Derek Bailey.

Solo Guitar van Derek Bailey. Beeld
Solo Guitar van Derek Bailey.

Deze week is het vijftig jaar (plus een week of wat) geleden dat een van de meest revolutionaire platen in de geschiedenis van de gitaarmuziek verscheen. Of laat dat ’gitaar’ eigenlijk maar weg. Solo Guitar van Derek Bailey is ook nu nog een plaat die zijn luisteraars in totale verwarring achterlaat. Dat is eenvoudig te controleren aan de hand van de commentaren onder de link van het album op YouTube: ‘Dit klinkt als mijn vierjarige nichtje dat op m’n elektrische gitaar aan het klooien is.’ Je moet vrezen dat heel veel mensen dit bij de eerste kennismaking denken (maar misschien niet altijd hardop durven zeggen).

Terug in de tijd Derek Bailey, geboren in Sheffield in 1930 en gestorven op eerste kerstdag van 2005 in Londen, was een gitarist die lang zijn brood heeft verdiend als sessiemuzikant en als lid van amusementsorkesten. In die hoedanigheid was hij met regelmaat te horen op de Britse radio, in shows van de komieken Morecambe and Wise en Bob Monkhouse en op tv in het populaire programma Opportunity Knocks. Maar daar kreeg hij genoeg van. Liever speelde hij jazz. Dat deed hij in een trio dat hij oprichtte met bassist (en later componist) Gavin Bryars en drummer Tony Oxley, vernoemd naar de Britse componist Joseph Holbrooke, van wie ze overigens nooit een noot zouden spelen. Het trio ging al snel geheel vrije geïmproviseerde muziek maken. Bailey ontwikkelde hier zijn clichéloze speelstijl, die nergens op leek, behalve op zichzelf.

In plaats van akkoordenschema’s en melodieën speelde hij onvoorspelbare losse tonen en klanken, vaak flageoletten, niet zelden boven de kam van de gitaar of achter de brug en meestal met grote intervalsprongen. Hierin toonde hij een geestverwantschap met de Oostenrijkse Schönbergleerling Anton Webern. Door dagelijks urenlang te oefenen, ontwikkelde hij een unieke flageolettechniek en een bizarre kennis van de geografie van de gitaartoets. Met zijn enorme handen kon hij samenklanken spelen die voor gewone stervelingen niet waren weggelegd.

Op Solo Guitar speelt Bailey zeven stukken. De eerste vier, Improvisation 4, 5, 6, 7, zijn uitingen in Baileys wonderbaarlijke, karakteristieke stijl, maar de stukken op kant twee zijn minstens zo onnavolgbaar. In Where Is The Police? van Misha Mengelberg schakelt Bailey na een lullig beginthema op gitaar zowaar over op synthesizer en vult hij zes minuten met oscillerende sample and hold-tonen. Het stuk daarna, Christiani Eddy van Willem Breuker (hilarische titel), klinkt als iemand die toonladders, loopjes en samenklanken oefent en onderwijl denkt aan het invullen van zijn belastingaangifte. Op het laatste stuk, The Squirrel And The Ricketty-Racketty Bridge van Bryars, bespeelde hij twee gitaren, die op hun rug voor hem lagen, tegelijkertijd, als een piano.

Waarom nu herbeluisteren? Omdat de muziek ook na vijftig jaar nog steeds volkomen nieuw klinkt. Tijdloos, heet dat.

Verder luisteren? Solo Guitar staat niet op Spotify, maar is wel te vinden op YouTube.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden