Erg vindingrijk lijkt het niet om je derde album Third te noemen, maar bij Portishead benadrukt die titel nog eens de eigenzinnigheid van het trio uit het Engelse Bristol. Third is weliswaar hun derde studioalbum, maar het verschijnt na een stilte van wel tien jaar. Niet dat Portishead uit elkaar was, maar de leden spelen het spel graag volgens hun eigen regels. Hoezo zou je als popgroep minstens elke twee jaar met een nieuw album op de proppen moeten komen?

Wat ook meespeelde: de Portisheaders waren niet blij met hoe het publiek hun eerdere albums consumeerde. Hun met bloed, zweet en tranen ontstane triphop werd gebruikt als - de woorden van gitarist/geluidenmaker Geoff Barrow - het muzikale equivalent van een fondueset.

Dat de muziek op Third zal worden gebruikt als muzikaal behangetje bij etentjes lijkt sterk. Een donkere kant had Portishead al, maar nu is de muziek echt inktzwart. De meeste nummers op Third zouden het goed doen in de soundtrack van een zwaar psychologisch drama dan wel een horrorfilm. Soms doet de geheel samplevrije muziek ook denken aan de doemklanken die in de vroege jaren tachtig heel gewoon waren. En zo gepijnigd als Beth Gibbons klinkt geen andere popmuzikant.

Luisteren is op Third een werkwoord. (Island)
(PETER VAN BRUMMELEN)