Kunst & Media Bewaar

Muziekwereld rouwt om overleden dirigent Nikolaus Harnoncourt (1929-2016)

Harnoncourt was minder streng in de leer zijn sommigen van zijn navolgers en leerlingen
Harnoncourt was minder streng in de leer zijn sommigen van zijn navolgers en leerlingen © ANP

Op 5 december 2015 liet Nikolaus Harnoncourt (86) via de kranten zijn publiek ('Liebes Publikum') en de wereld in een ontroerend handgeschreven briefje weten dat hij nooit meer zou dirigeren. "Mijn lichamelijke krachten gebieden af te zien van verdere plannen." Zaterdag is hij overleden.

De muziekwereld rouwt, want Harnoncourt was een van de belangrijkste en invloedrijkste musici van de laatste vijftig jaar. Zonder zijn pionierswerk op het gebied van onderzoek naar en de uitvoering van de oude muziek in het algemeen en die van Bach in het bijzonder had de concertpraktijk er anders uitgezien en had de smaak van het publiek zich anders ontwikkeld.

Door zijn op bestudering van de handschriften gebaseerde interpretaties ontstond de zogenoemde 'authentieke uitvoeringspraktijk', die al spoedig door geestverwanten als Gustav Leonhardt, Frans Brüggen, Ton Koopman, John Eliot Gardiner, Roger Norrington, Philippe Herreweghe, Jos van Immerseel en vele anderen brede weerklank vonden bij het publiek.

Bij het Concertgebouworkest was hij in totaal 276 keer te gast

Authentiek
Harnoncourt vond dat woord authentiek trouwens onzinnig, omdat hij als geen ander wist dat je als dirigent of musicus nooit kon claimen dat je Bachs muziek precies zo kon laten klinken als hij het zelf had gedaan of had bedoeld, zelfs niet als je op violen met darmsnaren in plaats van stalen snaren speelde of andere instrumenten uit Bachs tijd gebruikte. Je kon hoogstens hopen dat je een beetje in de buurt kwam. Later werd die term vervangen door 'historische uitvoeringspraktijk'. Ook daar haalde Harnoncourt de schouders over op.

Hij was minder streng in de leer zijn sommigen van zijn navolgers en leerlingen. "Vaak lijk ik verkeerd begrepen te worden," zei hij in een interview. "Zeker in de begintijd. Voor mij is het instrument altijd een stuk gereedschap en geen religie." Om die reden had hij er nooit problemen mee te werken met zowel barokorkesten als moderne orkesten.

Ideaal
Musiceren was voor hem een kwestie van compromissen, 'maar er moet wel een ideaal zijn, ook al is dat onhaalbaar'. Essentieel bij zijn benadering bleef bestudering van de manuscripten, zelf, met eigen ogen. Door het handschrift van de componisten te bekijken kwamen altijd dingen boven water die je in geen enkele gedrukte partituur terugvond. Daarom wantrouwde hij elke uitgegeven partituur, en vooral die van 'zogenaamde oeruitgaven'. Als er een conflict ontstond tussen de partituur en de manier waarop hij meende dat het moest, volgde hij in eerste instantie zijn intuïtie, totdat bleek dat hij ongelijk had, zei hij.

Johannes Nicolaus, Graf de la Fontaine und d'Harnoncourt-Unverzagt, zoals Nikolaus Harnoncourt voluit heette, werd geboren in Berlijn. Genealogisch loopt er van hem een directe lijn naar keizer Leopold II.

Cellist
Harnoncourt groeide op in Graz en studeerde muziek in Wenen. Van 1952 tot 1969 was hij cellist in de Wiener Symphoniker, waar hij speelde onder leiding van grootheden als Erich Kleiber, Herbert von Karajan, Eugene Ormandy and Georg Szell. In 1957 richtte hij met zijn vrouw Alice zijn eigen barokorkest op, Concentus Musicus Wien, waarin hij viola da gamba speelde en een groeiende reputatie verwierf met een andere kijk op Purcell, Bach, Rameau, Mozart en Beethoven. Het leidde tot een fundamentele revolutie in de uitvoering van oude muziek en ook tot ressentiment bij beroemde traditionele dirigenten.

Karajan, die er nota bene voor had gezorgd dat Harnoncourt in de Wiener Symphoniker kwam, legde de ideeën achter de 'authentieke uitvoeringspraktijk' - terecht - uit als kritiek op de manier waarop híj het deed en zorgde er als baas van de Salzburger Festspiele voor dat Harnoncourt daar twintig jaar niet binnen kwam. Maar het tij was niet te keren.

Concertgebouworkest
In 1970 begon Harnoncourt aan een dirigentencarrière. Met Monteverdi's Il rittorno d'Ulisse in patria in Wenen en in La Scala en met spraakmakende Mozarts in Graz, waar hij een zomerfestival leidde, zette hij zichzelf op de kaart en begon hij te zagen aan de stoelpoten van de grote maestro's. De revolutie kwam ook naar Amsterdam.

Bij het Concertgebouworkest dirigeerde Harnoncourt vanaf 1975 bijna tien jaar lang rond Pasen afwisselend de traditionele Johannes- en Matthäus-Passion. Chef-dirigent Haitink kwam er voor Mozart en Beethoven nauwelijks meer aan te pas. De ontwikkeling was niet te stuiten.

Bach
Bij het Concertgebouworkest was hij in totaal 276 keer te gast, met als hoogtepunten vanaf 1975 naast de jaarlijkse Bach ook opvoeringen van Mozarts Da Ponte-opera's bij De Nederlandse Opera en Szenen aus Goethes Faust van Schumann (in 2008). Harnoncourts repertoire reikte inmiddels tot en met Alban Berg, en zelfs Berio, wiens eerste versie van Rendering (een reconstructie van Schiubert Tiende symfonie) hij in 1989 in première bracht.

In 2013 nam hij met Bruckners Vijfde symfonie afscheid van het KCO. Harnoncourts nalatenschap is groot, zowel fysiek, in de vorm van talloze plaatopnamen, als geestelijk, door de implementatie van de gedachte dat het de taak is van elke dirigent 'te begrijpen wat voor componisten maatgevend is'. Dát was voor hem de enige zinvolle interpretatie van het woord authenticiteit.