Kunst & Media Bewaar

Dichter Gerrit Kouwenaar (1923-2014) wist wel raad met de dood

Gerrit Kouwenaar in 1966.
Gerrit Kouwenaar in 1966. © ANP

Dichter en schrijver Gerrit Kouwenaar (1923) is vandaag op 91-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam overleden. Hij publiceerde voor het eerst in de Tweede Wereldoorlog, belandde in de gevangenis en wist uiteindelijk in de jaren negentig een groot publiek voor zich te winnen.

Het doel van de kunst is iets uit de tijd te trekken, even stil te zetten wat nog stil blijft staan als jij weer weg bent

'Niets rijmt op dood,' zegt Kouwenaar in de documentaire 'Totaal witte kamer' ('Het Uur van de Wolf', 2002) over de totstandkoming van gelijknamige bundel die hij schreef naar aanleiding van de dood van zijn vrouw Paula die aan Alzheimer leed. Toch wist hij in poëtisch opzicht wel raad met de dood.

Een beeld van de dichter zal me altijd blijven: zijn optreden tijdens De Nacht van de Poëzie in 2006. De zaal hield haar adem in toen de dichter stram en ietwat gebogen het podium betrad. Hij droeg 'Totaal witte kamer' voor, een gedicht dat hij schreef in en over de zolderkamer van het huis in Zuid-Frankrijk waar hij maandelijks met Paula verbleef, ook toen zij al ernstig ziek was. Dit is ondertussen misschien wel zijn meest bekende en meest geciteerde gedicht:

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen -

Het publiek, en dan waarschijnlijk met name de Kouwenaar-adepten (en daar zijn er veel van), was diep geroerd. De vrouw naast me huilde.

Gevangenisstraf
Toch heeft Kouwenaar in zijn dichterscarrière ook wel een hele andere reputatie genoten. In 1941 bracht hij zijn eerste bundel 'Vroege voorjaarsdag' in eigen beheer uit. Ook publiceerde hij in een aantal illegale bladen, waarvoor hij nog een half jaar gevangenisstraf kreeg.

Na de Tweede Wereldoorlog sloot hij zich aan bij de Vijftigers, de dichtersgroep waar ook Hugo Claus en Lucebert deel van uitmaakten. Hij scheidde zich al weer redelijk snel af van de Vijftigers en hun spontane en experimentele poëzie om een hele nieuwe weg in te slaan. In de jaren zestig ern zeventig schreef hij vooral hermetische taaltheoretische gedichten (meer bedachtzame gedichten dus).

Zijn poëzie werd door tegenhangers als De Maximalen 'kil en onpersoonlijk' bevonden. Joost Zwagerman, voorman van De Maximalen, zei dat ieder leven bijna letterlijk uit het gedicht was geschreven. In de jaren negentig wist Kouwenaar een groter publiek voor zich te winnen doordat zijn poëzie persoonlijker werd. Misschien dat de dood van dierbaren uit zijn omgeving daar ook een bijdrage aan had geleverd. Voor veel van zijn overleden vrienden, zoals Hans Andreus, Jan G. Elburg en Lucebert schreef hij een afscheidsgedicht.

Tijdrekken
Kouwenaar was echter tegen het idee van poëzie als troost. 'Als je daarnaar op zoek bent moet je maar naar de kerk gaan, naar een dominee, niet naar een dichter, denk ik,' zei hij in de documentaire 'Totaal witte kamer'. 'Dichten is vooral een kwestie van maken. Het doel van de kunst is iets uit de tijd te trekken, even stil te zetten wat nog stil blijft staan als jij weer weg bent.'

Het dichten ging de dichter de laatste jaren moeizaam af, vertelde hij in een interview voor Cultura/NPS (2008). 'Ik kan niet meer overzien of wat ik gemaakt heb, geslaagd is. Nu ben ik die zekerheid kwijt.' Hoewel hij dat betreurde, was hij er ook nuchter over: 'Gewoon een kwestie van ouderdom.'

Kouwenaar laat een oeuvre van 25 dichtbundels en vijf romans achter. Zijn werk werd veelvuldig bekroond met prijzen. Zo ontving hij onder meer de P.C. Hooftprijs in 1970, de Prijs der Nederlandse Letteren in 1989 en de VSB-poëzieprijs in 1997.

Melancholie
Met de ouderdom komt er meer melancholie in Kouwenaars gedichten en in zijn laatste gedichten blikt hij vooruit op zijn dood, zoals in het gedicht 'Muziek voor het slapengaan':

Er stond muziek op toen zij hem vond
wat er speelde was zij later vergeten, had zij
afgelegd toegedekt of ingeslikt met zijn leven

zij hoopte dat het strawberries was geweest
zoetrood geneurie op koelere hoogte
en niet de negende kleine steeds weer
voorgoed onvoltooide

maar het liefst dat met die vluchtende vogel
die nooit kon antwoorden waarheen hij op weg was
en onder zijn veren kon uitrusten, inwonen -

De laatste nieuwe gedichten die van Kouwenaars hand verschenen, zijn samengebracht in 'Het bezit van een ruïne' (2005), een bundeltje dat verscheen ter gelegenheid van Gedichtendag. Deze gedichten zijn ook samengebracht in de verzamelbundel 'Vallende stilte' (2008), een mooi portret van een groot dichter, zijn poëtische ontwikkelingen en zijn levensloop.