Roos Schlikker Beeld Lin Woldendorp
Roos SchlikkerBeeld Lin Woldendorp

Hij roept nog één keer ‘eikel!’ zonder in de gaten te hebben dat ie vooral zichzelf benoemt

PlusRoos Schlikker

Roos Schlikker

In een steegje in de Jordaan, amper breed genoeg om je kont te kunnen keren, loopt een man treiterig langzaam voor een busje van PostNL. Beheerst zet hij de ene voet voor de andere, grijnzend als hij het motor­gegrom achter zich hoort aanzwellen. “Hé joh, doe niet zo lullig,” schreeuwt een passant, maar de kerel blijft de weg versperren. “Híj begon,” blèrt hij terug.

Ik had ze al zien harrewarren. Het busje dat optrok, de voetganger die ten onrechte meende dat de wagen hem niet mocht inhalen. Nu vormen ze een lullig duo, ­beiden opgesloten in het eigen gelijk. De ene vent voorop. Hanig. Borst vooruit, kin in de lucht. De man achter het stuur die denkbeeldige zandkorrels met zijn kaken vergruist, handgebaren maakt, maar totaal wordt genegeerd. Ze voeren de wals der erkenning uit, Haantje en de postbode. Of liever gezegd een chachacha, met van die vinnige pasjes, terwijl het nergens over gaat.

En ik denk aan die ene zin. Mijn zoon was vroeger nogal snel op de kast te krijgen. Tegenwoordig heeft zich een uitdagende kalmte van hem meester gemaakt. Enkele maanden geleden waggelde er op het speelplein een twee koppen grotere gozer naar hem toe. Vierkant ging hij voor hem staan, de lompe armen in de zij. “Ik mag jou niet,” gromde hij. Mijn zoon keek omhoog, trok lichtjes de wenkbrauwen op en vroeg droog: “O? Wil je een sticker?”

Sindsdien is dat mijn lievelingsfrase. Ik zeg hem thuis om brandjes te blussen. Of in mijn hoofd als iemand opschepperig vraagt om gezien worden. Als je eenmaal met de stickerquote begint, valt het je pas op hoe vaak je hem kunt gebruiken. De politicus die zichzelf vrijheidsstrijder noemt terwijl hij een ander tribunalen ­toewenst. “Wil je een sticker?” Stoertjes die denken dat ze heel wat zijn omdat ze ‘Pedonazi’ op het huis van Grapperhaus kalken. “”Wil je een sticker?” Iemand die pocht een salaris met meer dan vijf nullen te hebben. “Wil je een sticker?”

Die vraag doet de mens die zichzelf opblaast onmiddellijk leeglopen. Ik stel hem overigens ook geregeld aan mezelf. Want reken maar dat onze eigen koppen net zo goed om erkenning en zichtbaarheid schreeuwen.

Laatst vertelde iemand me dat je het ego kunt zien als een grote rammelende aap die borstroffelend achter de bosjes vandaan springt. Je staat tegenover hem, hij brult, hij wil gehoord worden. Wat doe je? Geef je hem waar hij om vraagt: rammende schouderkloppen, complimenten, talloze tekens van bevestiging? Of maak je hem kleiner in je hoofd? Laat je hem almaar meer krimpen, tot babyformaat, waarna je het chimpanseetje in een denkbeeldig bed legt, lekker onder een dekentje? Hij mag gaan rusten.

Dat zou Haantje ook gegund zijn. Maar die marcheert minutenlang door. Tot hij afslaat.

Hij roept nog één keer ‘eikel!’ zonder in de gaten te hebben dat ie vooral zichzelf benoemt. En ik mompel zacht: “Ga toch lekker liggen, jongen, onder je dekentje. Dan krijg je van mij een sticker.”

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden