PlusInterview

Jeroen Krabbé: ‘Na de oorlog wilde mijn moeder alleen nog wonen in de delen van stad die haar zusje had gekend’

Jeroen Krabbé kent de oorlogsgeschiedenis van de huizen die hij op zijn wandelingen passeert, daar is geen struikelsteen voor nodig. De stad heeft zijn familieleden niet kunnen beschermen, maar Krabbé voelt zich er veilig.

Robert Vuijsje
Jeroen Krabbé:  'Binnen een paar minuten sta ik op de Dam, ik kan overal heen lopen of fietsen.' Beeld Erik Smits
Jeroen Krabbé: 'Binnen een paar minuten sta ik op de Dam, ik kan overal heen lopen of fietsen.'Beeld Erik Smits

Vanuit het keukenraam wijst Jeroen Krabbé naar het gapende gat schuin tegenover zijn huis, in de Van Eeghenstraat. Daar stonden tot voor kort twee monumentale panden, grenzend aan het Vondelpark. Die zijn nu afgebroken en worden aan het zicht onttrokken door een hek met een geel doek waarop staat: Luyben Sloopwerken.

Aan de keukentafel vertelt Krabbé over het boek dat hij nu leest: De Beethovenstraat van Frank van Kolfschooten. “Daarin krijg je een beeld van hoe een stad functioneert. En van wat zich in die straat heeft afgespeeld.”

Meedogenloos kapotgemaakt

Buiten, op de muur van het souterrain, staat de naam van de architect: Baanders. “Dat is zijn handtekening, dit huis is gebouwd naar zijn ontwerp, daar was hij trots op. Baanders heeft ook ’t Blauwe Theehuis gemaakt, in het Vondelpark. Voor Berlage geldt hetzelfde: het werd straat voor straat bedacht, in het ontwerp hangt alles met elkaar samen. Als je de Wolkenkrabber , aan het Victorieplein zou afbreken, om daar een nog hogere wolkenkrabber neer te zetten, waar je meer geld mee kunt verdienen, dan verniel je de gedachten van iemand, van een architect.”

In de panden hier schuin tegenover zaten de kantoren van de Postcode Loterij. “Die waren niet eens zo mooi, maar wel met liefde gemaakt. Zodra ze vrijkwamen, werd het door een ontwikkelaar gekocht, zo heten zulke mensen. En dan wordt het meedogenloos kapotgemaakt. De hele buurt staat vol bakken waarin ze het bouwafval storten. Daar zie je dan de oorspronkelijke deurknoppen liggen en soms hele bewerkte plafonds. Ze slopen alles en vervangen het voor van die industriële zwarte metalen interieurs.”

“In dit huis heeft Willem Mengelberg gewoond, de dirigent van het Concertgebouworkest – die in de oorlog niet zo’n fraaie rol speelde. Gustav Mahler heeft hier gelogeerd. We krijgen weleens toeristen aan de deur, Mahlerfans die willen kijken. Russen vooral. Als dit huis ooit vrijkomt, wordt die geschiedenis er allemaal uit gesloopt.”

Hebben jullie geprotesteerd, aan de overkant?

“Toen de sloopkogel kwam, stonden we daar met een groepje buren. Wie er niet stonden: de buren van recht tegenover die bouwput, terwijl je die toch als eerste zou verwachten. Het gerucht gaat dat zij hun huizen alleen konden kopen als ze in het contract beloofden dat ze niet zouden protesteren.”

Voor wandelingen door Amsterdam is er een tweede boek dat Krabbé heeft geraadpleegd: Atlas van een bezette stad, van Bianca Stigter. “Ik heb het helemaal gelezen, alle adressen waar tijdens de oorlog dingen zijn gebeurd en waar mensen zijn weggehaald. Als een detective heb ik het bestudeerd. Zo loop ik nu rond, ik heb die struikelstenen niet nodig om elk adres te kennen. Als kind had ik dat al. Van ons huis op de Amstelkade liep ik naar de Uiterwaardenstraat, naar de Kohnstammschool. Op het Merwedeplein liep ik langs het huis waar Anne Frank had gewoond. Dan dacht ik even aan Anne, elke dag.”

“Mijn moeder had ook zoiets. Als enige van haar gezin overleefde ze de oorlog. Ze heette Margreet Reiss. Mijn moeder was Joods, mijn vader niet. Haar moeder, mijn oma, is gewoon gestorven, om het zo maar te zeggen. Op 29 april 1942, de dag dat ze in het Handelsblad had gelezen dat Joden een ster moesten gaan dragen, kreeg ze een hartinfarct.”

“Haar vader is vermoord in Sobibor en haar zusje tijdens een dodenmars uit Auschwitz. Na de oorlog wilde mijn moeder alleen in de delen van Amsterdam komen waarvan ze wist: mijn zusje heeft dit nog gekend, het is er niet later bij gebouwd. Alleen in die delen van Amsterdam voelde ze zich veilig. Ze praatte altijd over hoe het niet was gelukt om haar zusje te redden.”

Zo veilig bleek het niet te zijn, toch?

“Nee. Een nichtje van mijn moeder overleefde de kampen en heeft na de oorlog berekend dat 81 familieleden zijn vermoord. Tante Mary heette ze, Mirjam Blits. Bij haar thuis, in de Jekerstraat, kwamen vrouwen op bezoek die ze zussen noemde. Kampzusjes. Als kind liep ik daartussendoor. Wanneer die vrouwen op een verjaardag hun arm uitstrekten om een taartje te pakken, zag ik het kampnummer staan. Daarom haat ik tatoeages.”

Wat is mooi aan Amsterdam?

“Ik voel me hier veilig, het is mijn geboortegrond. Binnen een paar minuten sta ik op de Dam, ik kan overal heen lopen of fietsen. Ik kan naar winkeltjes waar mensen normaal doen. Je hoeft niet de auto in om een brood te kopen. Deze stad is gebouwd voor mensen, niet voor auto’s, zoals Los Angeles.”

Wijzend naar de Delfts blauwe KLM-huisjes die je cadeau krijgt bij een intercontinentale reis in de businessclass, ze staan in de keuken langs de muur uitgestald: “Het zijn er meer dan tweehonderd. Elk huisje is een reis, ik ben vaak weggeweest. Maar altijd verlangde ik naar Amsterdam.”

“Het ergste was Wilmington, North Carolina. In Amerika. Daar nam ik een film op met Richard Gere en Kim Basinger, hoe heette die ook weer? No Mercy. Ik zat er twee maanden alleen in een huis, soms had ik dagenlang niets te doen, het duurde en duurde maar. Tussen acteurs en regisseur werden allemaal onderlinge relaties aangelegd, dan lag de productie ineens stil. Een desolate omgeving, met geen enkele cultuur.”

“Ik had vijf dagen vrij en vroeg of ik naar New York mocht. Dat kon. Toen vroeg ik: mag ik dan ook naar Amsterdam? Nee, dat was onmogelijk. Ik zei dat ik door het tijdsverschil op dezelfde dag terug kon zijn, als ze belden. Uiteindelijk kreeg ik toestemming.”

“Ik was zo blij om weer thuis te zijn. Aan Richard Gere had ik beloofd een rijsttafel te koken. Op de Albert Cuyp en bij Toko Ramee heb ik mijn hele tas vol gestopt met boodschappen. Als ik later scripts kreeg, vroeg ik altijd: waar is het en hoelang moet ik weg? Meestal zei ik nee, zodat ik gewoon in Amsterdam kon blijven.”

Jeroen Krabbé (Amsterdam, 1944) is acteur en schilder. Fun fact: na betaling is eind achttiende eeuw, door voorouders die nog Krabbe heetten, het accent op de é van Krabbé toegevoegd om de naam deftiger te laten klinken. Krabbé presenteert een tv-programma over schilders: Krabbé zoekt... De volgende tv-serie, de vijfde in de reeks, gaat over Frida Kahlo en wordt uitgezonden in augustus.

Amsterdams
“Op de fiets door de stad rijden.”

Huur of koop
“We huren dit huis sinds 1970, toen had ik helemaal geen geld. Ik heb wel geprobeerd het te kopen, maar ben nu blij dat ik het niet heb gedaan. Al dat onderhoud.”

Accent
“Ik praat niet met een Amsterdams accent, maar kan het wel nadoen. Daar ben ik acteur voor.”

Rust versus drukte
“Stilte vind ik in mijn atelier. Drukte is hier vlakbij, in de zomer in het Vondelpark. Maar dan zijn wij meestal de stad uit.”

Randstad versus provincie
“Wij zijn veel in ons huisje in Dalfsen. Ik voel me niet anders, ik ga zo mee in het dorpse. Daar zeggen ze: mij niet gezien, in Amsterdam, veel te druk. Dat valt wel mee, vind ik. En het culturele aanbod hier is zo prettig.”

Serie

Amsterdammers klagen graag over de snel veranderende stad, maar willen hier toch blijven wonen. Hoe werkt dat, vraagt schrijver Robert Vuijsje (Alleen maar nette mensen, Salomons oordeel) zich af in een wekelijkse interviewserie met bekende en minder bekende Amsterdammers. Vorige week verscheen het eerste deel, met actrice Dilan Yurdakul. Dat is hier terug te lezen.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden