James Worthy Beeld Agata Nowicka

Zweefpoepen met mijn zoon in de wc van een tankstation

Plus James Worthy

“Niets aanraken!” schreeuw ik, terwijl hij de banden van de tuinbroek van zijn schouders schuift. Op de tuinbroek staan dinosaurussen. Kleine vleeseters. Grote planteneters. Ik heb het soms moeilijk met zijn voorliefde voor dinosaurussen. Mijn zoon houdt van wezens die uitgestorven zijn en nooit meer terugkomen. Hij wordt gelukkig van dingen die er niet meer zijn.

“Niets aanraken!” Op de wc van het tankstation zit geen wc-bril. Mensen hebben met scherpe voorwerpen boodschappen in de deur gekrast. Zoals mijn zoon van uitgestorven dieren houdt, zo houd ik van toiletdeurpoëzie.

Met mijn linkerhand knijp ik mijn neus dicht en met mijn rechterhand zorg ik ervoor dat mijn zoon niets hoeft te ruiken. De stank is onverdraaglijk. Het is een vettige geur. Alsof iemand de dood in een frituurpan heeft gegooid. Ik woonde ooit met een alcoholist samen en zijn ontlasting had dezelfde geur.

Het vaderschap is een kolossaal geschenk, het enige wat ik niet begrijp, is waarom mijn zoon altijd moet poepen als er alleen maar een tankstation of een snackbar in de buurt is. Hij moet nooit poepen als we langs het Amstelhotel fietsen. Nee, hij moet poepen als we langs een tankstation rijden. En niet zo’n modern tankstation, nee, hij kiest juist de etablissementen uit waar de tijd stil heeft gestaan. Er zijn geen elektrische schuifdeuren en je moet afrekenen bij een man die naar een snookerwedstrijd op Eurosport aan het kijken is. Jimmy White tegen Stephen Hendry. Vlinderdasjes en blauw krijt. Een oude man legt de zwarte bal terug op zijn plaats. Welkom terug in 1992.

“Waarom moet je altijd op dit soort plekken poepen?” vraag ik. Ik wil niet boos klinken, maar ik klink het wel. Dit is de goorste wc die ik ooit heb gezien. Het herpes­virus hangt aan de muur als een scheurkalender. Ik heb jeuk in mijn ogen, maar ik wil niet krabben. Dit toilet is het clubhuis van vergeten ziektes.

“Sorry, papa.”

“Nee, ben je mal, je hoeft geen sorry te zeggen. Het is goed. Het is heel natuurlijk dat je moet poepen. Mensen poepen.”

“Is dat bloed op de muur?”

Ik kijk naar de muur en weet bijna zeker dat het bloed is, maar ik zeg dat het lippenstift is.

“Waarom zit er lippenstift op de muur?”

“Misschien had de muur gisteren een feestje.”

Ik til mijn zoon op en houd hem boven het toilet. Hij begint te drukken. We zijn inmiddels erg goed in zweefpoepen geworden.

“Ooit pak ik je terug voor dit,” zeg ik.

Over vijftig jaar ben ik 89 en dan mag hij mijn billen afvegen. Dan moet hij mij optillen en me boven de pot van een tankstation laten zweven. En ik zal geen tuinboek dragen. Nee, ­alleen om hem te pesten zal ik alleen maar overalls met dertig knopen dragen.

“Niet boos worden, papa.”

“Ik word niet boos.’

“Ik denk dat ik toch niet moet poepen. Mijn buik heeft gelogen.”

Ik zet hem neer en zeg dat hij niets moet aanraken. Hij trekt zijn tuinbroek omhoog en ik kijk naar de bloemetjes in zijn ogen.

“Niets aanraken!”

Hij klimt in mijn armen en legt zijn hoofd neer op mijn rechterschouder.

“Waarom zijn dinosaurussen eigenlijk uitgestorven?”

“Omdat ze ons niet wilden opeten.”

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden