Roos Schlikker. Beeld Lin Woldendorp
Roos Schlikker.Beeld Lin Woldendorp

Zo ontdekte ik dat het persoonlijke geen navelstaarderij hoeft te zijn

PlusRoos Schlikker

‘Hoe weet je nou of mensen oprecht zijn?” Ik loop de talkshowstudio uit als een van de medegasten, een wetenschapper, me aanhoudt. Met collega Malou Holshuijsen heb ik zojuist gesproken over onze podcast waarin we mensen vragen naar het moment in hun leven dat ze dachten: dit komt nooit meer goed. Zo vertelt Kluun over een bijna-faillissement, Martine Sandifort over haar psychische kwetsbaarheid en Ronald Giphart over zijn sterilisatie (de woorden ‘zwarte avocado’ in combinatie met ‘balzak’ zijn gevallen).

Hilarische, maar ook kwetsbare verhalen, tot onze opluchting. Want laten we wel wezen, succes is saai. Een opsomming van o-wat-knap-momenten weet mensen zelden te binden. Toch is de wetenschapper sceptisch. “Iedereen heeft het toch liever over leuke zaken. Waarom zou je het achterste van je tong laten zien?”

Ik ken het, deze schuchter makende nuchterheid. Toen ik mijn carrière begon bij een financieel tijdschrift, was één woordje verboden: ik. We mochten over jaarcijfers praten, dalende markten uitpluizen, de Noord-Koreaanse staatsmunt aan analyses onderwerpen. Als het maar niet persoonlijk werd.

Want persoonlijk, dat was emotioneel, navelstaren, not done. Een collega schreef een boek met de titel Kille cijfers, warm gevoel, de perfecte samenvatting van mijn werkomgeving.

Ik liep hopeloos vast in deze wereld vol stroppen rond de nek, pokerfaces en hitnoteringen. Altijd zocht ik naar een vlek op het strak gestreken overhemd. Ook op dat van mijzelf. Maar erover schrijven dorst ik niet.

Het duurde lang eer ik de schroom afschudde. Toen ik mijn eerste kwetsbare stukje tikte, lag ik wakker. Nu kende iedereen mijn achilleshiel. Elke Harry met twaalf volgers zou me op Twitter aan stukken rijten. Maar Harry hield zich stil. Sterker, Harry’s schreven me hún geschiedenis. Waarna we elkaar vonden in korte, troostvolle zinnetjes. Zo ontdekte ik dat het persoonlijke geen navelstaarderij hoeft te zijn. Want wie een echt ik-verhaal vertelt, krijgt vaak één respons: ik ook.

Als we iemand op een borrel ontmoeten is de eerste vraag: “Wat doe je?” Vervolgens lepelen we functieomschrijvingen en cv-highlights op, knikken beleefd en wandelen verder. Maar we weten niets. Kille cijfers. Geen gevoel.

Ronald Giphart kreeg na zijn sterilisatie toch nog een zoon. Het baby’tje kwam met een tumor ter wereld. “Altijd ben ik schrijver,” vertelde hij Malou en mij. “Wat er ook gebeurt, ik vraag me voortdurend af: kan ik hier iets mee? Maar toen ze mijn kind reanimeerden, was ik geen schrijver meer. Ik was alleen maar vader.”

Ik staar naar de wetenschapper. Hoe cynisch is het als je denkt dat deze verhalen niet echt zijn omdat we liever over successen praten? (Overigens kwam het gelukkig goed met zowel de zoon als de zwarte avocado.)

Net als ik over dit alles wil gaan wijsneuzen, onderbreekt de man me. “Dit komt nooit meer goed? Als ik je echt zou zeggen wanneer ik dat dacht…” Dan lopen zijn ogen vol. Hij schudt zijn hoofd, mompelt ‘ik kan het niet’ en sloft de nacht in. Woordloos. Maar ergens heb ik het gevoel dat hij toch zijn verhaal heeft verteld.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden