Roos Schlikker. Beeld Oof Verschuren

‘Zo. Da’s beter jochie. Leve de waanzin’

Plus Roos Schlikker

Bobby is de weg kwijt. Hoewel hij doelgericht op pad was, blijft hij plotsklaps stilstaan, midden op de stoep. Toeristen rolkofferen om hem heen, een postbode kan amper uitwijken, maar Bobby heeft zijn blik op een verte die anderen niet zien. Een verte waar hij de weg niet meer naartoe weet.

Bobby’s baasje, mijn buurvrouw, was ook een keer de weg kwijt. Ze draalde op de tegels tot ik haar bij de arm nam. “Zal ik je even thuisbrengen?” Ze schoof mee.

“Het gaat wel, hoor.” Dat zegt ze altijd, vergezeld van een giechelend: “Leve de waanzin.”

Een paar jaar geleden viel ze van de trap, zo akelig dat haar hersens bloedden. Haar vriendin en grote liefde was sindsdien zo bezorgd. Samen walsten ze dagelijks richting café, zich voorzichtig vasthoudend aan elkaar, teckel Bob als richtingaanwijzer voor hen uit.

Maar einde zomer parkeerde een zwarte auto voor hun huis. Twee dagen later was de wake. Midden tussen schilderijen, lichtjes en ‘Je ne regrette rien’-zingende buurtbewoners, stond Bobby bewegingloos naast de kist. Hij ging niet liggen, dribbelde niet rond.

“Ach jongetje,” zei zijn baasje. “Hij snapt ’t niet. Dat ze dood is. Misschien moet ie even ruiken? Wat denk jij?” Terwijl ik schutterde, zette ze het hondje al bovenop het lichaam. Het zingen verstomde. Kon dit? Ja. In dit huis kon alles. “Zo. Da’s beter, jochie. Leve de waanzin.”

De weken daarna maakte Bobby’s baasje het opvallend goed. Dagelijks zat ze in een mooie jurk aan een tafeltje, omringd door cafévrienden. Ooit las ik dat als een babypinguïn zijn ouders kwijtraakt, andere pinguïns als kolonie rond hem samenscholen. Ze vormen een haag om het dier heen.

Natuurlijk heeft de buurvrouw haar haag nog steeds. Maar inmiddels zie ik haar soms ook alleen, haar blik op een verte die anderen niet zien. Zoals vandaag, op het terras. ‘Beware of: the hotdog’ staat op een briefje naast haar. “Ja, ik heb maar een bordje neergezet. Omdat Bob zo’n kampioen in de weg liggen is. Iedereen struikelt over hem.”

Bobby houdt intussen onverstoorbaar een staarwedstrijd met een houten tafel. “Ik stond bij de slager,” mompelt zijn baasje verder. “Opeens keek een karbonaadje me aan. Zo stom. Wat is dat nou? Eén karbonaadje.” Even is ze stil. “Ik heb er maar eentje nodig.”

Ik knik. Ik wil iets zeggen over missen en dat dat in het dagelijks leven zo veel groter is dan je tijdens het afscheid kunt voorstellen, maar ze praat door. “Het huis kijkt me ook aan. Kwaad. Ja, echt. Alles kijkt me aan. Toch ben ik eenzaam. Haha. Stom he.” Nee, dat vind ik niet stom. “Alle spullen kijken zo boos. Vooral ’s nachts. Nou ja. Ik laat Bobby lekker naast me liggen. Dan gaat het wel weer.”

Ik zie ze voor me. Haar lieve piekhaar. Ernaast dat warme worstenlijfje. “Goed zo,” zeg ik. “Hij is niet voor niets kampioen in de weg liggen.” Ik aai de teckel. “Het gaat wel, hoor,” klinkt het naast me. En haar lachje.

“Leve de waanzin.”

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden