Theodor HolmanBeeld Artur Krynicki

Zijn longen werken niet goed meer, maar hij leeft

PlusTheodor Holman

Gisteren leek het de eerste gewone dag na acht weken.

Jongens waren aan het voetballen. Meisjes waren elkaar aan het filmen voor hun vlog. Een onderwijzer werd omringd door kinderen. Een man liep met zijn oude moeder naar een bankje en ging dicht naast haar zitten. Hij had taartjes meegenomen.

Een onbekende wind leek het geheugen te hebben weggeblazen.

Daartussendoor liep een neuroot. Dat was ik.

Ik had net weer een familielid gesproken dat ‘genezen’ was.

Die aanhalingstekens moeten in dit geval gezien worden als nieuwe ijzeren ballen aan zijn benen en sterke handboeien aan zijn polsen, want zijn longen werkten niet meer goed, zijn hart had een opdonder gehad en zijn nieren behoefden constante zorg.

“Maar ik leef!”

“Fijn,” zei ik.

Dat aangetaste hart klopte nu als een oude klok met versleten wijzers, zijn longen waarop nog littekens zaten vonden maar geen voldoening, zijn saturatiemeter gaf een geringere uitslag dan voorheen, en zijn nieren gedroegen zich als zeurende kinderen die nergens zin in hadden.

Als ‘leven’ een ironische betekenis krijgt, begint de dood te grijnzen – en die grijnsde al.

“Zoals ik ben, is de wereld,” zei het familielid. “Ik ben verzwakt, zal nooit meer dezelfde worden, maar als ik flink mijn best doe, kan mijn oude ik weer enigszins herstellen.” Hij pauzeerde even en zei: “Gek… mijn oude ik… daarmee bedoel ik dus mijn ik toen ik jonger was.”

Ik glimlachte hem door zijn moeizaam geformuleerde gedachten heen.

Hij vond het virus het zwaarste wat hij had meegemaakt.

“Jij zegt, Theodor, dat je het niet mag vergelijken met een oorlog, maar je ervaart het wel zo. Het is of je gebombardeerd wordt, je hebt constant ongekende doodsangst, je geeft je over, je bidt stiekem omdat je echt alles wil proberen, en als je dan wakker wordt en de vlag mag hijsen, besef je onmiddellijk dat je geest ook een opdonder heeft gehad. Een van de eerste dingen die ik dacht was: wat heb ik, voordat ik corona kreeg, mijn leven verknald.”

“Hoezo?”

“Moeilijk uit te leggen… We hebben het er nog wel eens over, maar als je leven op losse schroeven komt te staan, komt echt alles op losse schroeven te staan. Mijn levensfilosofie, mijn politieke ideeën, wat zinvol is… Waarom redden doktoren en zusters een zinloos leven van een man die zijn leven heeft vergooid.”

“We praten er nog over,” zei ik.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden