Roos Schlikker. Beeld Oof Verschuren

Zijn handen. Dode blauwe vingers

Plus Roos Schlikker

Zijn handen. Het is halverwege de procesdag als ik me realiseer dat ik zijn handen niet ken. De handen van mijn neef die met ingeslagen schedel werd gevonden in een weiland. Niet lang daarna werd zijn vrouw, moeder van hun drie kinderen, opgepakt. Nu staat ze terecht, verdacht van moord met voorbedachten rade.

“Ik zag een man liggen, maar de man die ik zag, was niet mijn broer. Zijn gelaatstrekken waren mij niet bekend. Deze man was stuk, ingedeukt en aan elkaar geplakt. Ik wilde weglopen, het uitschreeuwen dat die man niet mijn broer was, maar mijn zus wees mij op zijn handen. Toen zag ik pas iets wat ik herkende.”

Tjeerds handen, in alle spreekrechtverhalen komen ze terug. Ik ken zijn gezicht goed. Weet hoe hij sprak. Zijn verlegen lachje. Maar op zijn handen, het enige wat van hem overbleef, heb ik nooit gelet.

Mijn oom is zojuist de rechtszaal binnengekomen. Hij draagt een foto in zijn armen, als is het een baby. Zo nu en dan drukt hij het gezicht van zijn kind tegen zijn borst. Kom maar, jongen.

“Ik kreeg het advies met mijn rug naar hem toe naar binnen te lopen. Mij dan met mijn ogen dicht om te draaien en een vluchtige blik op hem te werpen. Maar dat was niet Tjeerd, daar lag een verminkt mens. Toen, in een fractie van een seconde, kwam het pijnlijke besef dat dit lichaam Tjeerd was. Zijn handen. Ongeschonden, sierlijke lange vingers. Dode blauwe vingers.”

Mijn oom aait de lijst, terwijl mijn nichtjes praten. Eindelijk mogen zij gebruikmaken van hun spreekrecht. Na alle juridische taal van officier, advocaat, rechters, en de eindeloze reconstructies van een verschrikkelijke nacht, maken zij de reconstructie van een leven.

“Onderweg naar het mortuarium dacht ik aan de periode veertig jaar geleden dat ik als leerling-verpleegkundige stage liep in het mortuarium van het ziekenhuis en daar zo veel respect kreeg voor hen die de verminkte slachtoffers verzorgden. Onze prachtige lange zoon lag op een brancard in een kamer waar een jong mens nooit had mogen zijn.”

De stem van mijn tante, normaliter liever op de achtergrond, klinkt door de ruimte. Mijn hart roffelt, ik weet dat ze het goed wil doen, vertellen over de jongen met de lange vingers en de impact van zijn dood.

Iedereen moet het horen. Iedereen die almaar niet luisteren wilde. Er werd geroddeld in het dorp, mensen die ze liefhadden, lieten niets meer horen. Omdat het verhaal te pijnlijk was? Te onvoorstelbaar? Familie en enkele naasten zitten achter hen in de rechtszaal. Staan achter hen. Maar zo veel mensen zijn vertrokken.

Wanneer hun laatste woord geklonken heeft, schuifelen ze naar buiten. Twee jonge vrouwen, een moeder en een vader met een lijst als een baby in zijn armen. Kom maar, jongen. Het gezin dat zich aan elkaar vastklampt sinds alles hen ontviel. De advocaat hervat zijn relaas. Het dossier van deze zaak beslaat tienduizend pagina’s. Maar de familie rest slechts een foto. En lege handen.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool. Reageren? r.schlikker@parool.nl. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden