Opinie

‘Zijn de Primark en de pretparken werkelijk essentiëler dan de musea?’

De cultuursector wordt in het coronabeleid op stuitende wijze afgeserveerd, stelt Emile Schrijver. Waarom wordt een musembezoek niet als ‘vitaal’ gezien?

De grote expositie in het Rijksmuseum over slavernij, een van de grote thema’s die de hedendaagse samenleving definiëren.  Beeld AFP
De grote expositie in het Rijksmuseum over slavernij, een van de grote thema’s die de hedendaagse samenleving definiëren.Beeld AFP

Hoera, de musea mogen weer open! Openluchtmusea nu al en reguliere musea vanaf 9 juni, volgens de protocollen die voor de tweede lockdown al golden. Protocollen, nota bene, die zo effectief waren dat er vorig jaar geen aan museumbezoek gerelateerde besmettingen zijn geconstateerd. Het publiek wordt nu blijgemoed opgeroepen ons weer te bezoeken, nu we eindelijk weer open mogen, want we kunnen niet wachten u weer te ontvangen, enzovoort.

Maar waarom voelt die heropening helemaal niet als een feestje? Waarom staan de musea, net als theaters en muziekzalen, helemaal achteraan in de rij bij de heropeningen? Zijn de ­Primark en de pretparken werkelijk essentiëler dan de musea? En: is het dan niet terecht dat Timo de Rijk, directeur van het Designmuseum in Den Bosch, op 11 mei op sociale media direct na de laatste persconferentie uitschreeuwt: ‘Wel naar de hoeren, niet naar musea. Leve Nederland’? Ja, dus.

Neoliberaal cultuurbeleid

Tien jaar neoliberaal cultuurbeleid heeft geleid tot een culturele sector die eerst als elitaire linkse hobby door toenmalig staatssecretaris van Cultuur, Halbe Zijlstra, is murw geslagen en uitgehold, zich daarna heeft opgericht en op verzoek van dezelfde overheid die door Zijlstra werd vertegenwoordigd, creatiever, commerciëler en diverser is geworden en onlangs door Hugo de Jonge op stuitend badinerende toon werd afgeserveerd omdat we volgens hem best een dagje zonder zouden kunnen.

Schrijver en filosoof Maxim Februari bespreekt in NRC Handelsblad van 18 mei de memorie van toelichting bij de Testwet, waarin sprake is van ‘essentiële sectoren’ en van ‘activiteiten en voorzieningen die geacht worden niet essentieel te zijn’. Volgens Februari hebben de virologen en de Gezondheidsraad het daarmee voorgoed voor het zeggen gekregen en hebben die ‘opeens ook bepaald dat het niet van primair belang is te spelen, iets te beleven en te ervaren, gezamenlijk naar betekenis te zoeken, als verveelde puber onder protest in een theaterzaal te zitten, de voorstelling te haten en zo je persoonlijkheid soeverein vorm te geven.’

Ik onderschrijf deze analyse van harte, hoewel hij slechts gedeeltelijk hout snijdt. Om te beginnen valt op dat de overheid gekozen heeft voor het woord ‘essentieel’ en niet voor het alternatieve begrip ‘vitaal’, dat je ook veel hoort. Als je vitaal definieert als ‘tot het leven behorend, voor het leven kenmerkend’ kun je dat niet beperken tot fysieke gezondheid, zoals nu de facto het geval is. Dat dat probleem overigens groter is dan de culturele sector, bewijst de omgang met het middelbaar en hoger onderwijs, waarin ook de geestelijke gezondheid van de leerlingen volledig ondergeschikt is gemaakt aan de beheersing van de virusuitbraak.

Het is ook niet terecht musea te definiëren als instellingen waar vooral kunst en schoonheid ervaren worden. Musea zijn allang hybride instellingen waar naast kunst ook veel ruimte is voor de grote thema’s die de hedendaagse samenleving definiëren. Hiervoor hoeft men slechts naar de actuele programmering van een paar van onze Amsterdamse musea te kijken.

Het Rijksmuseum pakt uit met een grote en grootse tentoonstelling over de geschiedenis van de slavernij. Het Amsterdam Museum opent een tentoonstelling over de hoogst omstreden Gouden Koets, die deel uitmaakt van een veel groter programma over de diverse stad. Het Scheepvaartmuseum bespreekt de invloed van het koloniale verleden op het leven op de eilanden van de Banda Archipel in Indonesië. En ons eigen Joods Historisch Museum buigt zich in Zijn Joden wit? over de vraag wat de positie is van Joden in de huidige identiteits- en representatiepolitiek. Worden zij gezien als daders of slachtoffers, bevoorrecht of benadeeld? En hoe zien zij dat zelf en hoe zien anderen hen?

Veilige omgeving

Die tentoonstellingen, ondersteund door publicaties, evenementen en educatieve programma’s, leveren een belangrijke bijdrage aan de geestelijke gezondheid van onze samenleving. We hebben gezien dat niet ten gevolge van, maar wel versterkt door de coronacrisis grote maatschappelijke thema’s juist nu om de aandacht schreeuwen: Black Lives Matter, antisemitisme, islamofobie, ons koloniale verleden, om slechts de meest in het oog springende te noemen. Musea bieden een veilige omgeving waarin dit soort potentieel onveilige thema’s aan bod komen.

Dat af te doen als ‘voorzieningen die geacht worden niet essentieel te zijn’ is niets minder dan een bestuurlijk en intellectueel testimonium paupertatis, een bewijs van onvermogen.

Emile Schrijver is algemeen directeur van het Joods Historisch Museum en het Joods Cultureel Kwartier en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

null Beeld
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden