Beeld Artur Krynicki

Zielenpoten? Ik begrijp het onstilbare verlangen van vliegtuigspotters

PlusNico Dijkshoorn

Vliegtuigspotters die, midden in een pandemie, zwaaien naar een Jumbo 747 zouden onder dwang moeten worden verpleegd. Dat dacht ik twee uur geleden. Zielenpoten zijn het, mensen die om half zes ’s ochtends opstaan om te kijken naar de landing van een vliegtuig.

Ik heb kilo’s boter op mijn hoofd. Toen ik acht jaar oud was woonde ik in Amstelveen en opeens zaten al mijn vrienden op een visstoeltje langs de weg. Met een blocnote in hun schoot.

Ik vroeg wat ze deden. Ze noteerden nummerborden.

Er reed een auto langs. Zes vriendjes tegelijk noteerden het nummerbord. Een kwartier later zat ik naast ze. Pas ’s avonds in bed, toen ik nog eens teruglas wat ik had opgeschreven, kwam de vraag: waarom?

Wie had hier iets aan? Ik kon toen maar één reden bedenken: als de bestuurder van DZ-78-23 een half jaar later dronken een kerk binnenreed dan kon ik zeggen: die reed 6 mei 1968 op de Van Heuven Goedhartlaan richting de Beneluxbaan.

Dat was nog onschuldig gedoe van een kind. Veel lastiger wordt het wanneer ik uit moet leggen waarom ik graag urenlang op perrons naar vertrekkende treinen keek. Ik deed dat. Steeds hoopte ik op dramatisch afscheid. Ik werd daar steeds beter in, het herkennen van mensen die elkaar vier jaar niet meer zouden zien. Ik zag het aan hun handen.

Het prachtige uitstellen van het afscheid. Weten dat je elkaar nu nog kunt aanraken.

De handen steeds even kort langs elkaars rug. Soms een omhelzing en dan komt in de verte het onvermijdelijke aanrijden: tonnen staal, piepend op het spoor.

Zo lang mogelijk wachten met instappen en dan het vreselijkste moment: een van de twee achter glas, in de treincoupé, de ander op het perron. Het sluiten van de deuren. Een fluitje. De trein die langzaam begint te bewegen en dan het allerliefste: op het perron nog enkele stappen meelopen en je hand tegen het raam drukken. Zien dat de ander, in de trein, zich schaamt voor de andere passagiers. Daarna naar je auto lopen en weten: ik ben weer alleen.

Nou ja, zoiets. Ik mocht daar graag naar kijken en daarom begrijp ik het onstilbare verlangen van vliegtuigspotters. Begrijp ik mensen die nummerplaten noteren in een schriftje. Begrijp ik mensen die in een lege bus toch zo dicht mogelijk naast elkaar gaan zitten. Begrijp ik de negentien mensen op zondagavond in het afhaalgedeelte van Golden Lotus.

Ze vrezen de eenzaamheid. Ze vieren heel kort het samen zijn. Zelfs nu. Juist nu.

Nico Dijkshoorn schrijft twee keer per week een column voor Het Parool, en spreekt zijn bijdragen ook in.

Reageren? n.dijkshoorn@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden