Natascha van Weezel. Beeld Artur Krynicki
Natascha van Weezel.Beeld Artur Krynicki

Zevenentwintig. Ik ben nu al acht jaar ouder dan hij ooit geworden is

PlusNatascha van Weezel

Een bekend Joods gezegde luidt: Je bent pas dood als je naam niet meer genoemd wordt. Nou, dat heb ik als kind geweten. Die namen, ze waren er vroeger altijd. Bij verjaardagsfeestjes, bij mijn opa’s en oma’s thuis of gewoon op een zondagmiddag. Gek werd ik ervan. Voor mijn gevoel werden ze er te pas en te onpas bijgehaald. De namen van al die familieleden die er niet meer waren, maar er wel hadden kúnnen zijn.

Jarenlang verzette ik me tegen de verhalen over het ‘H-woord’ (de Holocaust). Waarom moest het daar steeds over gaan? In plaats van verhalen over dode mensen wilde ik familieweekenden in Center Parcs of een ander oubollig bungalowpark, met minimaal vijftig nichtjes en neefjes. Mijn vriendjes en vriendinnetjes deden dat toch ook? Wij niet, want een familieweekend wordt al snel karig als er weinig familie over is.

Nu struin ik langs het Namenmonument, op zoek naar de namen van mijn familieleden. Sinds een week staat deze gedenkplaats van architect Daniel Libeskind midden in Amsterdam. De namen van de 102.000 Nederlandse Joden die tijdens de Holocaust vermoord werden, zijn hier letterlijk in steen gebeiteld. Ik wist dat het er veel waren, maar nu ik er ben zíe ik het pas. Het is een immens doolhof. Je kunt niet veel anders dan verdwalen tussen al die namen.

Toch zie ik na een tijdje de naam Max van Weezel. Zijn geboortedatum staat er ook bij: 9 februari 1916. Daar achter het getal 27. Ik leg mijn hand op de gelige baksteen, alsof ik op die manier contact kan maken met de broer van mijn opa. Het is nogal idioot, maar ik voel de behoefte om die steen te aaien. Zevenentwintig. Ik ben nu al acht jaar ouder dan hij ooit geworden is.

Ook andere familieleden van mijn vaderskant hebben een steentje. Geen van hen behaalde de leeftijd van 35. Hoe waren de levens van Hans, Floortje, Roosje, Jaap en Frida geweest als zij niet naar het kamp waren gestuurd? En de levens van Bertha, Arjeh, Sarah, Regina, Rosa, Nuchem, Anna en Ella? De grootouders, ooms en tantes van mijn moeder zijn niet in dit monument opgenomen. Zij kwamen uit Duitsland en Oostenrijk, en waren dus geen Nederlandse Joden.

Alleen de namen zijn nog over, schiet het door mijn hoofd. Wat heb je aan die verdraaide namen? De mensen die de namen droegen zijn immers kapotgemaakt. Ze zijn vermoord. Puur omdat ze Joods waren. Net als ik wil weggaan valt mijn blik op de spiegelwand boven de steentjes. Ik zie mezelf: een Joodse vrouw van 35. En opeens besef ik dat er meer is dan louter namen. Hitlers plan is niet gelukt. Het was niet zijn bedoeling, maar ík ben er nog. Ik lééf.

Natascha van Weezel (1986) is journalist. Elke maandag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? natascha@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden