null Beeld Artur Krynicki
Beeld Artur Krynicki

Zelf wilde ik óók niet snitchen

PlusPaul Vugts

Wat begrijp ik ze goed, die hele en halve criminelen, familieleden of getuigen die geen snitch willen zijn, geen verrader. Die weigeren met de politie te praten of alleen bijzaken willen bespreken.

Hoewel ik heus de diepe ergernis voel bij misdaadbestrijders die zware misdrijven willen oplossen of geweld willen stoppen, maar in de kringen rond verdachten of slachtoffers tegen muren lopen.

Dat je niet praat, wordt er op straat vroeg ingepeperd. Te midden van een kerkhof van doodgeschoten criminelen is de mantra ‘wie praat die gaat’ inmiddels alom bekend. De omerta is de lijm van vele subculturen. Drillrapgroepen, hooligans, motorbendes of maffiaclans.

Erg in het klein accepteerde ik de code als jongen ook zonder nadenken. Toen ik, zoals ik hier eerder opbiechtte, als adolescent drie keer kortstondig in de cel belandde – om door testosteron gedreven onzin die weinig voorstelde en uiteindelijk geen sporen naliet in de politieregisters.

Na een nacht in de cel kwam ik er achter dat anderen uit de groep al na uren waren vrijgelaten, omdat ze hadden verteld wie had geslagen en wie wat had vernield. Zelf was ik juist vastgehouden omdat ik dat niet wilde zeggen, hoe gering mijn rol ook was.

De dagen nadien ging ik thuis door het stof, maar zweefde ik buiten tien centimeter boven de grond op een roze wolk. Ik was een bewezen tough guy – zoals een agent me die nacht onbedoeld had gecomplimenteerd. Mijn straatkrediet was omhoog geschoten, merkte ik meteen in de achterbuurt waar sommige vrienden woonden (zelf groeide ik op in keurige doorsneewijken). De snel vrijgelaten verraders wisten de schande (en spijt) nooit echt van zich af te schudden.

Mijn anekdote was vrij letterlijk kinderspel, maar in mijn werk zie ik het steeds in het groot. Verdachten die zich aan het advocatenadvies houden dat ik elke cliënt zou geven, ten minste tot duidelijk is wat de politie voor bewijzen heeft: zwijgrecht. (‘Ik beroep me op mijn zwijgplicht,’ vergissen sommigen zich dan).

Een Amsterdamse crimineel lag in de kofferbak van een verkoolde auto met zijn afgesneden scrotum in zijn mond. Die ‘had gezongen’ of was daarvan beschuldigd, nemen we aan.

Laatst sprak ik, in gezelschap, een Amsterdamse jongen die diep in de drillscene zit, waarin groepen elkaar met messen belagen. Zijn blik toen iemand hem vroeg waaróm hij eigenlijk niet naar de politie stapte hoewel hij geweld moet vrezen?

Eén bonk verontwaardiging: “Dat kán niet! Nooit! Ze schrijven op dat je hebt gepraat en dat komt in dossiers!”

Dat klopt, dat heet ‘verbaliseringsplicht’. Hij vervolgde, energiek: “Ze beloven te helpen, maar kunnen niks doen, en jij krijgt als snitch de problemen!”

Het is de werkelijkheid die hij dagelijks leeft.

Paul Vugts schrijft elke vrijdag over zijn werk als misdaadverslaggever.

Reageren? paul@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden