Roos Schlikker. Beeld Lin Woldendorp
Roos Schlikker.Beeld Lin Woldendorp

Zeg mama, weet je dat ik boos op je was?

PlusRoos Schlikker

Hé, moet je kijken. Die man heeft zijn schoenen uitgedaan. Vreemd gezicht, hè. Krankjorum, zou jij zeggen. Dat is echt een woord van jou. Ach, hij heeft bloemen meegenomen. Ik vind dat vaak ontroerend. Mannen die op Moederdag door de straten rijden, een bosje pioenen in de hand. Natuurlijk, dochters die boeketjes brengen noem ik net zo lief, maar die kerels zijn stiekem mijn jongens. Nu nog klein en met piratenhoed, straks over me heen gebogen, ‘Dag mamaatje’ brommend. Jij zou me begrepen hebben. Jij begreep ontroering altijd eerder dan anderen.

Vind je het stom dat ik er niet vaker ben? Het is pas de tweede keer dat ik op deze dag naar je toe kwam. Hoewel, tijdens je leven was ik er altijd. Toen viel je van de trap en hoefde het niet meer. Leeg huis. Lege handen. Leeg hart.

Vorig jaar kocht ik pioenen en fietsten mijn benen opeens richting het statige hek aan de Amstel. Ave Maria klonk door mijn oortjes. “Sentimenteel”, brieste ik als puber. Dat was echter míjn aanstellerij. Ik vreesde jouw gevoel voor drama dat soms zomaar omsloeg in donkerzwart. Dus zette ik Wham! op en maakte ik gekke dansjes. ‘Wake me up before you gogo!’ Maar dat is op deze plek wat ongepast.

Zeg mama, weet je dat ik boos op je ben geweest? Omdat je geen boterhammen smeerde. Of op de kleinkinderen paste. Maar wel jouw tranen aan mijn shirt afveegde. Dat je jouw tranen aan mij afveegde.

Maar de dood geeft soms presentjes weg. Oude ergernissen raken uitgegumd. Bovendien vond ik een briefje dat me niet eerder opviel. Je schreef zo veel briefjes, deze moet er tussendoor zijn geglipt. ‘Misschien heb ik het vaak niet zo gedaan als ik zou willen met al mijn tekortkomingen. Aan mijn gevoel voor diepe liefde voor je heeft het nooit ontbroken. Vergeet dat nooit!’ Een postuum cadeau gebracht door een onzichtbare postduif.

“Mama, als jij oma kon redden, had je dat dan gedaan?” “Hoezo?” “Ze was toch vaak depressief?” “Ja. Maar er waren ook dagen dat de levenslust uit haar groenblauwe ogen spatte.” “Dus?” “Dus zou ik haar hebben gered. Altijd.”

Dat vonden ze fijn, jouw kleinzonen. Samen fantaseerden we de nacht in. Hoe ik als een zacht matras onder aan de trap ging liggen en jouw vallen kon breken. Ik zou mijn armen om jouw schoudertjes heen slaan, je wiegen. “Alles is goed,” zou ik zeggen. En dat is ook zo. Alles is goed. Ook al mis ik je zo dat het knelt.

Weet je wat? Ik doe gewoon mijn laarsjes uit. Dan ben ik je net iets naderbij. Mijn voeten in het grind, de deken op jouw bed. En zo meteen zal ik lopen. Met lege handen. Naar mijn volle huis. Ik laat mijn schoenen achter. Nee hoor, dat is niet krankjorum. Want hier laat je altijd iets achter wat bij je heeft gehoord.

Dag, mamaatje. Ik dek je toe met pioenen. En ga. Tot gauw. Samen. Onder aan de trap.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden