null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Ze woonde met haar zus in een woning, om de hoek, aan de Ranonkelkade

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

In Café Keppler zat ik aan een tafeltje. Ik staarde uit het raam naar het Van der Pekplein. De Boekenweek was net begonnen, en ik zat na te denken over het thema: een ode aan de eerste liefde.

Pietje Puk. De vrolijke postbode van Keteldorp.

In mijn herinnering is Pietje Puk gaat vissen het eerste ‘echte’ boek dat ik kreeg. Denk ik. Er is geen vroegere foto van mij met boek dan die waarmee ik met Pietje Puk gaat vissen te zien ben. Op de bank, in een rode pyjama waar ik eigenlijk al uit ben gegroeid. Ik heb het boek nog steeds, en ik zal het ook nooit wegdoen.

Pietje Puk, Wipneus en Pim, De Kameleon, Desmond Bagley, Oek de Jong. Dat zijn de stappen die me naar de literatuur brachten. Desmond Bagley was een Engelse thrillerschrijver, die in het net verschenen Elizabeth Finch van Julian Barnes (prachtige roman) nog een veeg uit de pan krijgt. Hij wordt niet meer gelezen, dacht ik.

Maar het thema van de Boekenweek had geloof ik meer betrekking op de eerste liefde op een persoon. Van vlees en bloed.

Het Van der Pekplein.

Er was een tijd dat ik veel in Noord kwam. Tijdje, moet ik zeggen. Een maand of tien. Toen M. daar woonde. Ze was mijn eerste liefde. Ik studeerde in Nijmegen, zij in Amsterdam. En ze woonde met haar zus in een woning, om de hoek, aan de Ranonkelkade.

Noord was nog lang, lang niet ten prooi gevallen aan een verstikkende gentrificatie. De buurt was grauw en viezig. Veel troep op straat. Dichtgespijkerde woningen. Achtertuinen waar de zon nooit kwam. De weg naar de pont altijd in de greep van een ijzige wind. Het Tolhuis in de Tolhuistuin was geloof ik nog het bedrijfsrestaurant van het Shell-laboratorium.

Het huis aan de Ranonkelkade was tochtig en koud. Af en toe viel er een stuk pleisterwerk van het plafond, en soms kwam er warm water uit de douche. Maar het was er op de een of andere manier ook romantisch (we waren jong).

Vlak voor ik naar Amsterdam verhuisde, verhuisde M. naar een etage in de Bethaniëndwarsstraat. Ik miste de tochtjes met de pont, die paar minuten die ik dromend en fantaserend doorbracht.

Een paar maanden nadat ik voor haar naar de hoofdstad was gekomen, ging de verkering uit. Maar ik woonde wel in Amsterdam.

Ik dacht ook aan Café Koosje, waar ik een jaar of twee geleden had afgesproken met Jongste Dochter. Zij had de afspraak gemaakt, want ze wilde me iets vertellen.

Ik dacht dat ze ging zeggen wat ze wilde gaan studeren. Maar ze vertelde dat ze het had uitgemaakt met haar eerste vriendje.

Niet een handvol maar een land vol, wilde ik zeggen, zoals mijn moeder dat een keer tegen mij had gezegd. Maar ik voelde gelukkig wel aan dat dat niet de woorden waren waarmee getroost diende te worden. Ik sloeg een arm om mijn dochter heen.

We dronken koffie. Er waren tranen. Tosti’s.

Ik vertelde over M. Jongste Dochter vroeg of ik me toen ook zo voelde als zij zich nu voelde.

Ik knikte. We lachten.

Pietje Puk had het maar makkelijk. Hij was altijd vrolijk. En altijd alleen.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden