James Worthy Beeld Agata Nowicka

Ze weten dat ik lieg, we gaan nooit afspreken

Plus James Worthy

Op de laatste dag van de vakantie komt onze zoon Jaap tegen. Het is vriendschap op het eerste gezicht. Ze spelen niet samen, maar ook niet alleen. Ze vermaken zich er perfect tussenin.

Gekleed in zonnebrand en schoolloosheid spelen ze zelfverzonnen spelletjes in een zonnige speeltuin. Vanaf ons terras kijk ik naar de twee jongens met uitgedroogd zomerhaar. Ze praten weinig, maar voelen veel. De vriendschap begon vanochtend met vier woorden. Hou. Je. Van. Spelen. Vraagteken.

Jaap schopt een strandbal en onze zoon rent erachteraan. Korte benen in een nog korter broekje.

Ik ben blij dat hij een vriendje heeft gemaakt, maar het verdriet is een bui die ik al kan zien hangen. Dit is de laatste dag van de vakantie. Mijn vrouw is de koffers al aan het pakken. Zij is daar goed in. Ik niet. Ik ben te emotioneel voor het pakken van koffers. Dan kijk ik naar de dingen die ik inpak. Een badlaken, een zwembroek, een zonneklep en een rubberen frisbee. De dingen zijn blij dat ik ze in de koffer stop. Dat ik ze weer meeneem. Ik rits de koffer dicht om niet meer naar ze te hoeven kijken. Thuis verdwijnen ze in een kast. “Heel misschien zie ik jullie volgend jaar weer,” zeg ik tegen de spullen, maar ze weten dat ik lieg.

Jaap en James rennen door de duinen. Ze zijn zo ­gelukkig dat klavertjesvier niet meer werken. Ze rollen van een duin. Met baarden van zand spelen ze piraatje. Als ze moe zijn, vragen ze of ze een ijsje mogen. Ik til ze op. Even later wijzen ze naar hetzelfde ijsje op het ijsjesbord. Mijn zoon zegt dat dit zijn vijfendertigste ijsje van de zomervakantie is. Ik vraag of hij zijn tong uitsteekt en ga er met een pink overheen.

“Al die waterijsjes hebben schuurpapier van je tong gemaakt,” zeg ik, maar hij hoort mij niet. Hij heeft alleen ogen voor Jaap.

“Wil je op mijn verjaardagsfeestje komen?” vraagt hij aan zijn vriend.

“Jawel hoor.”

Na het ijsje willen ze nog even naar de speeltuin. Ze vragen hoe vaak ze van de glijbaan mogen. Ik zeg tien keer.

Na de dertigste keer loop ik op de jongens af en zeg dat ze afscheid van elkaar moeten nemen. Ik wijs naar de tent van Jaap. Zijn moeder staat voor de tent met één van de zestienduizend boeken van Lucinda Riley in haar handen.

De jongens knuffelen elkaar. Ze laten niet los. Ik ­beloof dat we snel een keer zullen afspreken, maar ze weten dat ik lieg. We gaan nooit afspreken. Dit is de laatste keer dat ze elkaar zien. En dat is helemaal niet erg. Ik weet hoe het gaat. Ik was zelf ooit een jongetje.

Jaap rent naar zijn tent.

“Ik hoop echt dat hij op mijn verjaardagsfeestje komt,” zegt onze zoon.

“Ik hoop het ook,” zeg ik.

Zuchtend duw ik onze koffers de kofferbak in. Vandaag gaan we weer naar huis. Onze zoon zit al in de ­auto. Hij heeft vandaag een belangrijke les geleerd.

Op de laatste dag van de vakantie maak je de beste vrienden.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden