Plus Column

Ze was een lapjeskat, maar ik zag haar als mens

James Worthy Beeld Agata Nowicka

Onder een geparkeerde auto in de Laurierstraat zit een kat zichzelf te wassen. Ik voel altijd wat jaloezie als ik naar zichzelf wassende katten kijk. Nu heb ik niets ­tegen douchen, maar ik zou ook weleens een keer met een met speeksel gevulde handpalm over mijn slaap willen wrijven en dat iedereen mij dan als een hygiënisch mens ziet. Maar ik denk dat alleen katten met dit schoonmaakproces wegkomen.

De kat in kwestie lijkt op een kat die ik in een ver verleden voor lange tijd mijn huisdier heb mogen noemen. Fleurtje was een kat uit het asiel. Iemand had haar in de buurt van het Centraal Station gevonden. Ze zat in een vuilniszak met acht broertjes en zusjes en Fleurtje was de enige die nog leefde. Ze was maar een paar weken oud. Een massagraf was haar wieg.

De eerste dagen zat ze achter onze ijskast verstopt, maar toen de wereld warm genoeg voor haar leek, liep ze onze huiskamer binnen. Ze was een lapjeskat, maar ik zag haar als mens. Ze was een mens met een een paar lapjes kat. En van die lapjes had ze een broek en een trui gemaakt. Fleurtje was mijn eerste echte vriend. Als ze een muis had gedood, liep ze naar mijn slaapkamer en legde ze het muizenlijkje onder mijn kussen. ­Sindsdien weet ik dat de tandenfee een kat is die geen muizen kan vangen. "Ik heb weer geen muis gevangen, sorry, maar hier heb je een euro."

Fleurtje was de enige reden dat ik geen onzichtbare vrienden nodig had. Een paar dagen voor mijn zevende verjaardag vroeg ik haar iets en toen ze twee keer met haar staart heen en weer bewoog, geloofde ik dat ze mijn vraag had beantwoord. Ik heb de rest van haar ­leven tegen haar en met haar gepraat.

De kat die onder de auto zit, geeft kopjes aan het ­linkervoorwiel. Zo zijn katten. Ze weten dat zelfs autobanden soms een wat mindere dag hebben. Ik ga door mijn knieën, maak wat katvriendelijke geluiden met mijn mond en laat mijn rechterhand onder de slordig geparkeerde Subaru verdwijnen.

De kat ruikt aan mijn vingers. Wolven kunnen ruiken of iemand ziek is, ik denk dat katten dat ook kunnen. Mijn lichaam probeert al jaren ziek te worden, maar daar heb ik nu geen tijd voor. Ik denk dat de autokat dat ruikt. Dat mijn lichaam een populaire studie is en dat alle ziektes voortdurend uitgeloot worden. Maar ooit zal het lot anders bepalen en kunnen de virussen en de bacteriën de benodigde studieboeken aanschaffen.

Dan voel ik wat tandjes in mijn wijsvinger. Katten ­mogen dat. Als een hond bijt, is ie vals, als een kat bijt, is ie alleen maar aan het spelen. Zo is het leven. Oneerlijk. Als ik een aanslag pleeg, ben ik gek, als mijn buurman een aanslag pleegt, is ie een terrorist.

De autokat lijkt zo erg op Fleurtje dat ik voor even in reïncarnatie geloof. Reïnkatnatie. Ik ga met mijn nagels over haar rug heen. Ze spint suikerzoet. Ik vraag aan de kat of ik een goed mens ben. De staart gaat twee keer heen en weer.

"Zit je nou tegen die kat te praten?" vraagt een werkman die met een ladder onder zijn arm door de straat loopt.

"Met. Ik praat met die kat."

"Pfff! Ben je gek, of zo?"

"Zo gek als een deur, meneer. Nee, zo gek als een ­kattenluikje."

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden