Patrick Meershoek. Beeld Artur Krynicki
Patrick Meershoek.Beeld Artur Krynicki

Ze gingen de huizen van weggevoerde Joodse Amsterdammers binnen

PlusPatrick Meershoek

Ongelooflijk maar waar: in de oorlog gingen ambtenaren van de gemeente langs de huizen van weggevoerde Joodse Amsterdammers om de bederfelijke waar op te ruimen. Het was een praktische maatregel met oog op de hygiëne: het achtergebleven eten kon ongedierte aantrekken of op een andere manier overlast veroorzaken voor omwonenden. Daarna ging de deur weer op slot, in afwachting van de verhuizer die ervoor zorgde dat de inboedel en de eventuele kostbaarheden in Duitse handen kwamen.

Het moet een forse klus zijn geweest, door zijn omvang en zijn aard. Vanaf de eerste deportaties in juli 1942 werden in de stad 22.000 Joodse huizen van hun bewoners beroofd. Hoe was het voor de ambtenaren om daarna die huizen te betreden en op zoek te gaan naar een aangebroken fles melk, een stuk kaas of een half brood? Deden zij hun werk met een knoop in de maag in het besef dat de afgevoerde bewoners weinig goeds te wachten stond? Of was het gewoon een vinkje op de lijst met adressen die zij die ochtend in hun handen gedrukt hadden gekregen?

In elk geval maakten zij deel uit van een apparaat dat ook bij de grootste verschrikking bleef functioneren. Daar zijn meer voorbeelden van te vinden. Vrijwilligers van dierenorganisaties wilden wel langs de Joodse huizen om te kijken of er misschien een huisdier was achtergelaten. De GG&GD hielp de politie om de zieke en bedlegerige mannen en vrouwen met ambulances te vervoeren van hun woning naar onder meer het Muiderpoortstation, waar een trein van de NS wachtte om hen naar Westerbork te brengen.

De NS hebben ruim vijftig jaar na dato alsnog excuses aangeboden en een financiële compensatie beschikbaar gesteld voor de nabestaanden. De regeling kon rekenen op waardering en kritiek, maar voorop staat dat het bedrijf verantwoordelijkheid heeft genomen voor een zwarte bladzijde uit de geschiedenis. Andere organisaties die in de oorlogsjaren op de een of andere manier hand- en spandiensten hebben verleend aan de Holocaust, doen er vooralsnog het zwijgen toe.

Erkenning blijft belangrijk. In de eerste plaats voor de Joodse gemeenschap, maar ook om een scherper beeld van de oorlogsjaren te scheppen. In de collectieve herinnering gaat de oorlog vooral over schurken, helden en slachtoffers. Terecht, want zij zijn de hoofdrolspelers. Het is noodzakelijk om de namen te blijven noemen van de bedenkers en daders van het onvoorstelbare, samen met de namen van de mannen en vrouwen die de moed hadden om daartegen in verzet te gaan.

Maar het is ook goed om te weten dat de hele goede en de hele slechte mensen uitzonderingen zijn. Dat de overgrote meerderheid zich gedeisd houdt, zich voegt en in opdracht een verlaten huis opruimt om te voorkomen dat de boel gaat stinken.

Patrick Meershoek is verslaggever van Het Parool en schrijft elke woensdag een column. Lees alle columns hier terug.

Reageren? patrick@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden