Beeld Sjoukje Bierma

Ze denkt dat ik in een sociaal isolement zit

PlusMaarten Moll

En dan nóg contact vermijden.

In deze tijd nog wel, waarin iedereen, als je het zo hoort, verlegen zit om een praatje.

Na driekwart jaar hond ken je de andere hondenbezitters in de buurt wel zo ongeveer.

Daar kun je dan je gedrag op aanpassen.

(We hebben Bep niet genomen vanwege vereenzaming in tijden van corona of zo. We waren een opvangadres en Bep kwam op een dag, en we hebben haar niet meer laten gaan.)

Veel hondenbezitters houden er vaste tijden op na. 

Dus heb ik daar een schema van gemaakt. 

Omdat ik graag rustig met Bep op de Oosterringdijk wil lopen om over allerlei zaken na te denken (nee, nu kan ik zo snel niets bedenken). Zo kan ik met de hond op stap als ik niet al te veel activiteit op de dijk verwacht.

Dat gaat dus wel eens mis. Even voor de duidelijkheid: ik ben niet mensenschuw, maar wel praatjesschuw. (Er is een grote man met een grote hond - ze lijken niet op elkaar - die me altijd straal voorbijloopt. Wat ik erg kan waarderen.)

“Goh, wat boffen we met het weer hè, vandaag?”

“Die met dat snauzertje, ze is van d’r man af.”

“Honden geven corona door.”

“Mijn buurman trekt ’s avonds de kleren van zijn overleden vrouw aan.”

“Wist je dat we allemaal in de gaten worden gehouden?”

Waarom ze dat allemaal tegen me zeggen, geen idee. Maar ik kan dan niet even gezellig inspringen. Ik loop dan snel door.

Vooral nadat ik al snel overging op tactieken om géén contact te maken.

Doen alsof je belt. Je neus snuiten net als er iemand passeerde. Hoesten. Heel erg, met je rug naar het pad, je hond gaan roepen. Zo chagrijnig mogelijk kijken. Rare, dansachtige bewegingen maken.

Je zou zeggen dat iedereen nu wel weet dat ze me met rust moeten laten.

Maar er is die ene, blonde vrouw. Met dat vuilnisbakje.

Ze wil altijd een praatje maken.

Van de week, ze had zich niet aan haar schema gehouden, kwam ik haar toch tegen.

 “Ga je mee naar het veldje? Dan kunnen de honden lekker met elkaar spelen.”

Ik had de telefoon aan mijn oor, maar dat was blijkbaar geen reden om me toch aan te spreken.

“Kijk, de hondjes willen wel.”

Het had geen zin om mijn schijngesprek voort te zetten. Ik stopte de telefoon in mijn zak.

“Of moet je nog werken?”

Daar gaf ze een panklare voorzet.

“Ja,” zei ik lafjes, “ik moet nog wel wat doen, deadline...”

De vrouw keek dwars door me heen, maar zei niets.

Ze blijft het proberen. Ze is een redder, ik vermoed dat ze denkt dat ik in een sociaal isolement zit.

In haar ogen ben ík de zonderling.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden