Theodor Holman Beeld Wolff

Wonderen op een dodenakker

Plus Theodor Holman

Ik ben op een begraafplaats. Koos loopt, strak aangelijnd, naast me. Ik geloof dat ik een bord heb gezien waarop staat dat honden op de dodenakker niet welkom zijn, maar ik zal de smoes ‘hij wil naar zijn vrouwtje’ gebruiken als we worden ontdekt.

We zijn op zoek naar een ver, ver familielid van wie mij is gemeld dat het graf zal worden geruimd. Ik dacht: ik maak voor de familie een ­foto en app die rond. Wat je daarmee moet, weet ik ook niet, maar een scherf aan de vergetelheid ontrukken kan ooit waardevol zijn.

De tijd dat ik, samen met Roel en Bart, op onbekende graven ging zitten, een dikke joint rookte en vervolgens op zo’n steen in slaap viel, denkend aan Baudelaires gedichten, ligt ver achter me. Ik hou niet meer van kerkhoven; ze brengen de toekomst te dichtbij.

Het graf kan ik niet vinden.

Koos is onrustig. Was Moor mijn grote vriend, Koos is mijn liefste, maar o zo kwetsbare kind dat ik voortdurend moet beschermen. Hij eet alles, waaronder paardenstront en glas. Daardoor doet hij steeds kleine kotsjes. Hij luistert slecht en heeft constant ruzie met zijn riem.

Plotseling lijkt hij te schrikken en gaat hij liggen. Hij heeft iets gezien. Ik tuur langs de graven, maar zie alleen maar te jong gestorvenen.

Dan springt een zwarte labrador achter een steen vandaan, als een dichtregel die een wending aangeeft in een sonnet. Hij rent op Koosje af en blijft voor ons staan: groot, stoer, zijn rechterpootje half geheven.

Weer doemen twee sentimentele verhalen in mij op: hij zoekt zijn baasje tevergeefs, of hij is een dode, als geest uit een graf gekropen, om ons iets te vertellen.

Koos is onder de indruk. De labrador besnuffelt Koos. Hij draagt geen halsband. Misschien is hij verdwaald. Hij laat zich niet aaien, maar is verder kalm. Alsof hij zich iets herinnert, rent hij van ons weg.

Koos trekt en wil hem achterna. De labrador springt over de graven en opeens is hij verdwenen. We blijven even doodstil, maar we horen hem niet meer.

Dan sta ik, hoe ongeloofwaardig, maar het is waar, voor het graf van mijn ver familielid. Een waardeloos wonder is ook een wonder.

Ik probeer, overmoedig geworden, of Koos en ik met elkaar kunnen praten.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden