null Beeld Artur Krynicki
Beeld Artur Krynicki

Wiskunde tot we elkaar tot in het diepste haten

PlusFemke van der Laan

We zitten op de bank, de jongste en ik. Ieder aan een kant. Onze voeten liggen in het midden maar raken elkaar niet, er is een lijn die ze niet oversteken, een rechte lijn die als je hem door zou trekken, langer zou maken, achter ons de keuken in zou gaan en daarna van de binnentuin twee driehoeken zou maken, vervolgens de stad zou opdelen in twee gelijke stukken en daarna steeds zuidelijker zou gaan, tot waar het warmer wordt en verder, de kou in, en daarna nog een keer, warm en koud, tot hij voor onze neuzen weer zou binnenkomen, door het raam van de woonkamer, en zou eindigen op bank, de aarde in twee halve bollen verdelend, eentje waar de jongste op zit, zijn wereld, en eentje voor mij, waar ik op zit, met allebei onze voeten vlak bij de rand.

Net zaten we nog aan tafel. We hadden wiskunde gedaan tot we elkaar tot in het diepst van onze ziel haatten.

Er waren cijfers en lijnen en haakjes en hoeken, vooral hoeken, en minnetjes die plusjes werden als ze met z’n tweeën kwamen. Er waren oneindig veel minnetjes. Veel meer dan twee.

Hij luisterde niet.

Ik deed moeilijk.

Ik snapte het tenminste.

Hij begreep het allang.

De berekeningen werden langer, onze zinnen korter.

Ik vroeg me af wanneer er weer een persconferentie zou zijn, of je kinderen nog zonder eten naar bed mocht sturen, hoe het kon dat twee eigenwijze ouders niet vanzelf plusjes maakten.

Hij kreunde.

Ik zag voor me hoe ik een grafiek tekende, een assenstelsel eerst, bij de x-as schreef ik mijn ongeduld, in liters, op de y-as zijn eigenwijsheid, in secondes.

Door het assenstelsel liep een lijn, van de exponentiële soort, eentje die laag bleef eerst, horizontaal bijna, en daarna opeens, ­ogenschijnlijk plotseling, de lucht in schoot, steil omhoog, het schrift uit. Ik keek naar de vergelijking die erbij hoorde, de kleine x’ jes schuin boven de getallen, het isgelijkteken ergens halverwege, en hoorde de vraag van de wiskundeleraar: als ze een emmer heeft van 27 liter en hij is bezig zijn niet-luisteren te vervolmaken, wanneer loopt de boel dan over, met hoeveel kracht zal haar ongeduld over de rand gutsen en tot waar in de kamer zal het komen? Rond af op twee decimalen.

Het was tot aan de bank gekomen.

Ik schuif mijn voet wat verder op. Tot over de lijn. Zijn wereld in. Hij raakt mijn hiel aan met zijn tenen. Zo blijven we ­zitten. Tot we weer plusjes zijn.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden