Femke van der Laan. Beeld Artur Krynicki
Femke van der Laan.Beeld Artur Krynicki

‘Wil je een mondkapje naar beneden gooien?’

PlusFemke van der Laan

Mijn telefoon gaat.

Het is de middelste. Ze is nog geen twee minuten weg. Als ik opneem, begint ze voor ik iets kan zeggen al met praten.

“Wil je een mondkapje naar beneden gooien?”

Ik druk mijn voorhoofd tegen het raam en kijk naar beneden. De stoep is leeg.

“Van het balkon, aan de zijkant,” zegt ze dan, alsof ze me kan zien, alsof ze weet dat ik aan de verkeerde kant naar beneden kijk.

Ik antwoord dat ik eraan kom en loop naar de keuken. Daar staat de doos met mondkapjes in de vensterbank. Het is ­misschien niet de handigste plek. Ik trek er eentje uit, aan het elastiekje.

Zelf sta ik ook weleens onder het balkon. Te wachten op een boodschappentas. Dat is eigenlijk het enige wat je naar beneden kunt gooien. Sleutels hebben we ook weleens geprobeerd.

Met het mondkapje bungelend aan een vinger maak ik de balkondeuren open. Het is koud. Op mijn sokken loop ik over de tegels. Langs de grijze gieter, om het tafeltje heen, naar de rand. Ik zie de middelste. Ze kijkt drie verdiepingen omhoog, haar hoofd in haar nek.

“Dank je wel. Gooi maar.”

Ze fluistert terwijl ze naar boven schreeuwt.

Ik laat het mondkapje los. Het valt niet. Het dwarrelt. De middelste en ik kijken allebei naar hoe de wind hem meesleept, weg van het huis, de straat over, even een stukje naar beneden en dan weer omhoog, tot de boom, op de hoek, naast het fietspad. Daar blijft het mondkapje hangen aan een tak.

De middelste kijkt weer naar mij. We glimlachen. “Wil je het nog een keer ­proberen?”

Ik knik, draai me om en loop terug, op mijn sokken. In de keuken pak ik een nieuw mondkapje en op weg naar het balkon probeer ik er een propje van te maken, een balletje, iets waar de wind geen vat op krijgt. Bij de rand smijt ik hem naar beneden. Het doet me denken aan het fluisterschreeuwen van de middelste.

De wind krijgt het mondkapje toch te pakken en voert hem naar het midden van de straat. Een fietser bukt. Van schrik. De middelste kijkt een andere kant op. Even later vist ze het stukje papier tussen twee geparkeerde auto’s vandaan.

We zwaaien en ik kijk haar na tot ze de straat uit is. De jongste komt bij me staan. Op zijn sokken. “Ik had het laatst ook met haar.”

“Dat je een mondkapje naar beneden gooide?”

“Dat-ie in de boom belandde.”

Ik kijk naar overkant. Twee takken lager hangt nog een mondkapje. Ze wiegen zachtjes heen en weer.

“Raar, hè?”

“Ja, raar.”

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden