PlusColumn

Wie is er bang voor banaliteit?

Eerste hulp bij klassieke muziek van Erik Voermans, met deze week: Weill-Die sieben Todsünden.

Erik VoermansBeeld Linda Stulic

In 1928 beschreef de Duitse componist Hanns Eisler in zijn geschrift Zur Situation der modernen Musik met een rake metafoor de toestand waarin de eigentijdse gecomponeerde muziek zich bevond.

Hier is een citaat. Houd u vast. 'Al dit lawaai voltrekt zich als het ware in het vacuüm van een glazen stolp, zodat geen enkel ­geluid doordringt tot de buitenwereld. Een lege opdringerigheid houdt incestueuze orgieën, terwijl in het ­geheel geen sprake is van enige belangstelling of ­betrokkenheid van welk publiek dan ook'.

We zouden kunnen tegensputteren dat Eisler het met zijn anti-elitaire opvattingen wel heel erg scherp formuleert, want een zeer klein publiek is toch óók een ­publiek?

Maar de boodschap is helder. Wie wil dat zijn composities voor veel mensen betekenis krijgen, kan er niet onderuit zich de vraag stellen hoeveel water er bij de wijn moet, er vanuitgaande dat die wijn in zijn pure vorm blijkbaar voor weinigen te drinken is.

Een componist die op zoek is naar 'een groot publiek' moet kortom niet bang zijn voor banaliteit, voor melodieën, harmonieën, ritmes die al vaker zijn gebruikt, misschien zelfs wel, o jee, o jee, in de populairdere genres.

Denk in deze tijd aan Philip Glass, Ludovico Einaudi, of filmcomponisten als John Williams, Hans Zimmer, Howard Shore en Alexandre Desplat, van wie trouwens alleen Glass ooit werkelijk originele noten heeft geschreven.

'Wees niet bang voor banaliteit' was het belangrijkste advies dat de Duitse componist Kurt Weill ooit van de verlichte muziekgeest Ferruccio Busoni kreeg.

Dat ­leverde een enorm oeuvre aan sterke en toegankelijke stukken op, met als grootste hits Die Dreigroschenoper (1928), Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny (1930) en Die sieben Todsünden (1933), alle drie op teksten van Bertolt Brecht en helemaal op maat geschreven van de fenomenale voordrachtskunstenares Lotte Lenya.

Weill en Brecht noemden Die sieben Todsünden een 'satirisch ballet'. Een ballet omdat hun rijke opdracht­gever erop stond dat zijn vrouw, die hij sterk op Lenya vond lijken, een rol als danseres zou krijgen. Wat ook geschiedde. Ja ja, wie betaalt, bepaalt.

Koninklijk Concertgebouw­orkest o.l.v. Cristian Macelaru. Solisten: Wende Snijders, Marc Pantus e.a. Weill-Die sieben Todsünden en werken van Sjostakovitsj en Al-Zand. 18 en 19 oktober in het Concertgebouw (20.15 uur).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden