Plus Column

Welke klootzakken gunnen mij het licht in de woonogen niet?

Pepijn Lanen Beeld Corné van der Stelt

We zijn een pakketje aan het afgeven in de Bruna. Blake pakt een wereldbol ter grootte van een grapefruit die is gemaakt van een soort stressballenfoam. "Weet je het zeker?" vraag ik, want we hebben namelijk ook al een Poké Ball bij ons. Hij is stellig in zijn overtuiging.

Ik reken af en de man van de Bruna gooit de antistressminiglobe naar Blake, die geen enkele poging doet om hem te vangen. Hij kijkt de man stomverbaasd aan, met beide armen ontspannen naast het lichaam.

Pas als ik hem erop attent maak dat het zijn bal is en dat hij hem maar even moet gaan pakken, gaat hij erop af, pakt de bal en legt hem weer netjes terug bij zijn collega-stressbalwereldbollen. Hij knikt en we kunnen wat hem betreft vertrekken.

We zijn in het park. Het is hier een stuk schoner dan een tijd geleden. Ik nam een keer mijn telefoon op toen ik over straat liep - wat ik eigenlijk nooit doe, omdat ik niet van bellen houd en dan altijd zenuwachtig heen en weer begin te lopen zonder het door te hebben - en was toen ineens in dit park terechtgekomen tijdens het zenuwachtig heen en weer lopen.

Ik wilde op een bankje plaatsnemen toen ik zag dat er aan allebei de kanten een groot stuk stront lag. Sindsdien meed ik het park en voelde ik me elke keer een beetje vies als ik erlangs liep.

Blake vindt het ene stokje na het andere en geeft het aan mij om te bewaren. "Nog een?" vraag ik, steeds net te laat, als hij alweer weggerend is omdat hij een nieuw takje gespot heeft.

Ik vraag me af waar we straks gaan wonen. Ik stap voor het gemak even over de buikpijn met betrekking tot de huizenmarkt heen en maak me meteen druk over 'waar' in plaats van me eerst druk te maken over het 'hoe'.

Zo lekker dicht bij alles als nu zit er waarschijnlijk niet meer in straks, maar dat heeft ook weer zijn bijkomstigheden. Zoals minder gedoe direct bij het de deur uitgaan. Wie zijn eigenlijk die klootzakken die overal maar komen wonen en het daarmee onmogelijk maken voor de leuke mensen om te kunnen wonen? En wat is hun probleem?

Ik neem nog een takje aan en wind me verder op. Ik zie een groepje mensen aan de andere kant van de parkvijver. Zijn zij het? Nee, zie ik. Het zijn maar zwervers. Of alcoholisten. Of pubers. Of een combinatie van die drie. Misschien zijn het zelfs ook wel klootzakken, maar niet degenen die mij het licht in de woonogen niet gunnen.

Wat zullen de parken van de toekomst brengen? Schoonheid of stukken stront? Stukken stront zullen er altijd zijn. "Papa," zegt Blake. Dat ben ik. Ik neem nog een stokje aan en kijk naar beneden. Hij heeft de wereld in zijn handen.

Pepijn Lanen (1982), ook bekend als Faberyayo, is rapper, schrijver en tekstschrijver van onder meer De Jeugd van Tegenwoordig en LeLe. Elke zaterdag schrijft hij een column voor Het Parool. In het archief lees je ze allemaal terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden