Artikel WitBeeld Agata Nowicka

We zijn een rijtje van vier

PlusFemke van der Laan

Het is donker buiten. Nog maar net. Toen we de deur uitgingen was de hemel donkerblauw, nu zien we sterren tussen de lantarenpalen door, en voor ons, aan het einde van de straat, boven de huizen.

We zijn een rijtje van vier. De middelste voorop, dan de jongste, dan de oudste, dan ik. Het is stil om ons heen. Af en toe hoor ik een auto, een tram in de verte, maar we maken zelf het meeste geluid. Geluid van wieltjes op asfalt en wieltjes op tegels. We rolschaatsen door de stad.

Vorige week trok ik de skeelers van de oudste aan. Ik was even uitgewandeld. In het park dat nog rustig is, schaatste ik rondjes. Tegen de klok in. Er zat een lange schaduw aan mijn rolschaatsen vast. Een schaduw die ik herkende van jaren geleden. Ze was niet veel veranderd, zag ik. Ze leek ietsje langer, maar dat had misschien alleen maar te maken met het tijdstip van de dag; het was nog vroeg. Haar armen zwaaiden op dezelfde manier heen en weer, haar benen maakten iets te korte slagen. Ze was het. Nog steeds.

De volgende dag kocht ik een paar rolschaatsen.

Ik kijk naar de stoep. Naar de korte schaduwen die na elke lantaarnpaal aan mijn rolschaatsen groeien. Ze zijn er steeds maar heel even. We schaatsen een rondje, met de klok mee, langs de rivier, over zo veel mogelijk fietspaden en door de straten met de gladste stoepen, maar vaker nog midden op de weg, want daar rolt het het fijnst. We zitten niemand in de weg.

Af en toe zegt er iemand iets, naar achteren. Over tegels die uitsteken, over zand op de weg. Dan zwaaien voor me de armen een kort moment anders, worden de slagen korter. Af en toe laten we ons uitrollen en kijken we links en rechts bij de huizen naar binnen. Naar de mensen die er zitten. En wachten. Tot het voorbij is. Met z’n tweetjes. Of met drie. Vier. Of alleen.

“Kijk, die is alleen.”

“Ja.”

“Maar misschien maar eventjes.”

“Ja.”

Daarna worden de slagen weer langer, breder. De stad is prachtig.

Lang en breed.

Bijna zeg ik iets over een stad die alleen van ons lijkt te zijn. Over hoe fijn de rust is. En de ruimte. Maar ik wil geen stad die alleen van ons is. Dus zeg ik dat we bij de volgende straat naar rechts gaan.

“Ja.”

Ik kijk weer naar de schaduwen aan mijn rolschaatsen. Elke lantaarnpaal een nieuwe. Tot we thuis zijn. Waar we verder wachten. Tot het voorbij is.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden