James Worthy Beeld Agata Nowicka

We spijbelden zodat we konden voetballen

Plus James Worthy

Ik loop langs het voetbalpleintje dat net achter de Overtoom ligt. Vroeger, zo’n 25 jaar geleden, voetbalden mijn buurtvrienden en ik elke zomeravond op dit pleintje. Hier hoorden we voor het eerst het woord panna. In de uren dat de zon onderging en de nacht de stad langzaam omarmde, voetbalden de beste straatvoetballers van Amsterdam net achter de Overtoom.

De balkondeuren stonden open en de geur van gebarbecued vlees was overal. Je kon mensen horen vrijen als de bal stillag. Het waren prachtige avonden. Rokende 65-plussers hingen uit het raam liedjes van Shaffy mee te neuriën.

Ik weet nog precies wie de beste speler was. Dat was Redouan met de capuchontrui. Als hij niet hoefde te spelen, zat hij op het bankje zonnebloempitten te eten. Een hoopje schillen lag als een trouwe hond aan zijn voeten.

Heel af en toe zat ik bij hem in het team. Dat waren de verrukkelijkste zomeravonden. De knipoog die hij me gaf als ik een mooie actie maakte. Op die momenten hoorde ik bij hem. Mocht ik bij hem horen. Mijn allereerste boks gaf ik aan hem.

Veel vaker zat ik niet bij hem in het team. En dan stuurde hij me zo diep het bos in dat ik verdwaalde en een dag later onder de brandneteluitslag thuiskwam met twee potjes zelfgemaakte bramenjam. Redouan vernederde met schoonheid. Mijn allereerste panna kreeg ik van hem.

Ik loop langs het veldje. Het is 2019. Ik ben minimaal drie keer ouder dan iedereen die op het pleintje aan het voetballen is. Het zijn jonge jongens. Naar alle waarschijnlijkheid zijn ze aan het spijbelen, maar dat is niet erg. Je leert het meest als je spijbelt. Ik deed het vroeger ook. We spijbelden, zodat we konden voetballen. Spijballen noemden we het.

De jongens van nu zijn nog beter dan de jongens van vroeger. Ik kijk naar ze. En ik ben niet de enige die naar ze kijkt. Een duif kijkt vanuit een boom naar de voetballers. Ze zwoegen niet. Ze zweten niet. Nee, ze dansen. De bal brengt roem.

Dan vliegt de bal over het hek. Ze kijken me allemaal aan. Ik kijk naar de bal alsof ik een oude vriend zie. Een oude vriend van wie ik dacht dat hij dood was.

“Meneer, zou u de bal terug willen trappen, alstublieft?”

Ik steek mijn duim omhoog en begin te bidden. Laat me de bal in één keer in een mooie boog over het hek trappen. Please. Ik kan dit. Laat me dit doen. Ik smeek het u. Zet me niet voor schut. Niet vandaag, Satan.

De bal vliegt als een verliefde zwaluw over het hekwerk. De jongens klappen. Ze vragen of ik mee wil doen. Behalve één jongen. Die vraagt het niet.

“Bent u niet te oud, meneer? Straks krijgt u een hartaanval of zo. U ziet er niet heel fit uit.”

Ik wrijf over mijn buik en zeg dat ik een winkeldief ben. Dat het geen vetrollen zijn, maar spullen die ik heb gestolen.

Vanaf een bankje kijk ik naar de voetballende jongens. Ik neurie iets van Shaffy.

Het verleden ligt als een trouwe hond aan mijn ­voeten.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden