Opinie

‘We plakken te snel een etiket op kinderen die zich iets anders gedragen’

Ouders labelen hun kind snel met adhd of autisme als het zich iets anders gedraagt. Psychiater David Con stelt dat die labels vergaande consequenties hebben.

Hoge sensitiviteit komt vaak voor bij kinderen met autismeBeeld Getty Images

Discussies over de GGZ staan enorm in de belangstelling. Een recente uitzending van De Monitor maakte dat weer duidelijk. Tegelijkertijd gaat het om zorgen. Over jongeren met een opeenstapeling van labels als autisme en adhd. Over het uitblijven van gepaste zorg. Over de hoge aantallen adhd-medicatie en antipsychotica die worden voorgeschreven. En de problemen en oplossingen? Die worden bijna altijd gezocht in de wetenschap (betere afbakening of zelfs afschaffing van labels), bij de politiek (‘meer geld voor de jeugd-GGZ’), of bij de psychiaters en psychologen (‘minder labelen, minder pillen’). De vraag is alleen: liggen de problemen alleen hier?

De overheersende gedachte is dat zowel diag­nostiek als behandeling in de psychiatrie voor 100 procent een kwestie is van wetenschap. Kortom, dat het vaststellen van afwijkingen door psychiaters en psychologen neerkomt op het toepassen van wetenschappelijke kennis. En als er problemen ontstaan zoals een toename van stoornissen als autisme en adhd of te veel medicatie, dan verwachten we logischerwijs wetenschappelijke oplossingen. Onjuist is dat laatste zeker niet. Er is alleen iets anders aan de hand.

Taal is performatief

Wat wij in de samenleving als normaal en af­wijkend beschouwen, wordt sterk bepaald door sociale processen en vooral door taal. Met onze alledaagse manier van denken en praten, onze taal, labelen wij – zonder dat wij dit in de gaten hebben – gedrag en ervaringen als een afwijking. En met ‘wij’ bedoel ik ‘wij met z’n allen’: ouders, jongeren, docenten, beleidsmakers, ­politici, jeugdconsulenten, politie en zorg­professionals zelf ook.

Enkele voorbeelden. Een kind dat niet aan ­onze verwachting voldoet dat ieder kind en iedere adolescent uren achtereen, aandachtig en stil moet zitten, moet opletten en daarna huiswerk moet maken, noemen wij ‘druk’, ‘zonder concentratie’ of ‘prikkelgevoelig’. En druk zijn noemen wij steeds vaker ‘adhd’. En als iemand niet sociaal sterk en assertief is, niet goed meekomt op school, verlegen en geen teamplayer blijkt bij groepsopdrachten, dan spreken we al snel van autistische trekken. Prikkelgevoelig noemen we tegenwoordig iedereen die op de één of andere manier anders reageert op prikkels.

Waar draait het in deze voorbeelden om? Om onze taal. Om onze eigen woorden en ook onze stilzwijgende en vanzelfsprekende betekenissen, opvattingen, eisen en verwachtingen, waarmee we elkaar beïnvloeden. Taal doet iets. Taal brengt iets teweeg. Taal is performatief. Door iets wat opvalt aan een kind al te benoemen als ‘prikkelgevoelig zijn’, maken wij dat dit als een afwijking wordt gezien, als een stoornis die in de hersenen zit. 

Maar hier blijft het niet bij. Met onze taal beïnvloeden wij niet alleen elkaar. Onze taal, onze woorden en betekenissen nemen we ook mee naar de spreekkamer van de psychiater en psycholoog. Met onze labels beïnvloeden we ongemerkt wat de psychiater gaat zien en denken als we bijvoorbeeld over een jongere praten in de spreekkamer.

Publieke aandacht

Als psychiater merk ik hoe jongeren, ouders en schoolmentoren – overigens met de beste bedoelingen – al bij de aanmelding over problemen praten in termen van labels als adhd, add, autistische trekken en prikkelgevoelig zijn. ­Vervolgens hoor ik aanduidingen als ‘prikkel­regulatieproblemen’ of ‘adhd-trekken’ terug­komen tijdens patiëntbesprekingen. De jongere is hiermee drager van een ‘neurobiologische stoornis’ geworden, een hersenstoornis. Dit is vervolgens reden om een ‘medicatieconsult’ aan te vragen bij de psychiater, van wie dan ­medicatie wordt verwacht om de gevoeligheid voor prikkels te verminderen. Helaas zie ik hoe jongeren vanwege alleen ‘prikkelgevoeligheid’ langdurig een lage dosis antipsychotica krijgen. En dat laatste vind ik vanwege de risico’s en nadelen ervan zeer zorgelijk.

De twee opvattingen die ik hierboven schets, sluiten elkaar niet uit. Natuurlijk vormt wetenschap de basis van diagnostiek en behandeling. Het laatste waar ik op uit ben, is polarisatie of het beschuldigen van jongeren, hun ouders, docenten of collega’s. De problemen waar mensen tegenaan lopen zijn reëel en verdienen onze beste zorg. Waar aandacht voor moet komen, is de kracht van onze eigen taal. Onze eigen woorden, labels en etiketten doen iets. Ze maken dat wij problemen van onze jongeren opvatten als hersenstoornissen, ín hun hersenen. Willen we dit? En wanneer gaan wij onze eigen labeltaal opzijzetten en kijken waar ze daadwerkelijk tegenaan lopen? 

David Con is psychiater en psychotherapeut in een eigen praktijk en op een polikliniek voor kinder- en jeugdpsychiatrie van een regionale ggz-­instelling.Beeld -
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden