Marcel LeviBeeld Artur Krynicki

We babbelen over AI zoals tieners praten over seks

PlusMarcel Levi

Een van de buzz­termen van het afgelopen decennium is artificial intelligence. Iedereen praat erover, maar vrijwel niemand weet precies waar het over gaat.

Strikt genomen is artificial intelligence het vermogen van computersystemen om dingen te doen waar mensen hersenactiviteit voor nodig hebben, zoals visuele waarneming en interpretatie, spraakherkenning, of het nemen van beslissingen. Dat is op zichzelf al heel knap.

Softwareprofeten en computer­evangelisten spiegelen ons voor dat artificiële intelligentie de oplossing zal zijn voor alle wereldproblemen. Als ondernemer tel je niet meer mee als je artificiële intelligentie niet onderkent als de enige manier om je business verder te ontwikkelen. Regeringen zijn er heilig van overtuigd dat artificieel intellect de economie zal redden. Goeroes voorspellen dat computers alle tijdrovende administratieve klusjes over­nemen en dat ze dit corvee foutloos uit gaan voeren. Vakbonden vrezen reflexmatig voor massaal banenverlies.

Is er eigenlijk al bewijs dat computersystemen in de afzienbare toekomst goed genoeg zijn al deze dingen te doen? In 2011 won de IBM-supercomputer Watson het populaire Amerikaanse televisiespelletje Jeopardy en sindsdien dacht iedereen dat het een kwestie van tijd zou zijn tot artificiële intelligentie de wereld zou veroveren.

IBM heeft Watson doorontwikkeld als computermedicus, maar dokter Watson is in feite niet veel meer dan een tot de laatste terabyte gevulde grabbelton van medische protocollen, behandelrichtlijnen, en leerboekenfeitjes.

De laatste jaren is duidelijk geworden dat die verzamelde kennis schromelijk tekortschiet om zelfs een eenvoudige diagnose te stellen bij niet altijd even duidelijke medische klachten. Of om bij kankerpatienten de juiste therapie te adviseren, terwijl dat toch een sterk geprotocolleerde activiteit is.

Watson is genoemd naar de eerste directeur van IBM, Thomas J. Watson. We kennen hem natuurlijk ook als het hulpje van Sherlock Holmes, die de detective terzijde stond bij het oplossen van ingewikkelde puzzels. Deze Watson was volgens de schrijver Sir Arthur Conan Doyle ‘never able to match Sherlock Holmes’ deductive skills’. Dat lijkt ook op te gaan voor de met veel bombarie gelanceerde supercomputer, waar IBM de laatste jaren steeds stiller over is geworden.

Computers lijken goed in het herkennen van patronen en het razendsnel verwerken van veel feitelijke data. Dat kun je artificiële intelligentie noemen. Maar voor echte kritische analyse van complexe informatie, interpretatie van harde gegevens in de juiste context en het nemen van afgewogen en op individuen toegesneden beslissingen, staan computersystemen nog in de kinderschoenen.

Volgens de psycholoog en econoom Dan Ariely is veel gebabbel over artificiële intelligentie vergelijkbaar met hoe tieners praten over seks: iedereen heeft het erover, niemand weet precies hoe het moet, iedereen denkt dat een ander het doet, dus iedereen doet net alsof hij er zelf mee bezig is.

Marcel Levi is Ceo van University College London Hospitals. Daarvoor was hij bestuursvoorzitter van het AMC.

Reageren? m.levi@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden