Babs Gons. Beeld Artur Krynicki
Babs Gons.Beeld Artur Krynicki

We ademen weer een beetje uit. Maar ook weer in, want wat staat ons te wachten

PlusBabs Gons

Op het moment dat een stem door de intercom vertelt dat de trein niet verder dan Leiden zal rijden in verband met een aanrijding, barst de regen los. De hemel huilt om iemand, denk ik, maar zo romantisch is het leven niet.

Ik vertel het een vriendin in een bericht, ze appt terug dat het collectief verdrietig is. En alleen die zin al stemt droevig. We zijn verdrietig maar we zijn gelukkig ook heel vrolijk, blij, opgelucht. We glimlachen weer openbaar. We dansen weer. We ademen weer een beetje uit. Maar ook weer in, want wat staat ons te wachten.

Mijn gedachtegang wordt verstoord door een man in uniform die vraagt of hij me ergens mee kan helpen. Ik kijk hem vragend aan. Dan zegt hij er achteraan: “Een andere route naar uw bestemming zoeken.”

Ik wil hem zeggen dat ik haast heb en echt om 16.00 uur in De Haag moet zijn maar ik bijt nog net op tijd het puntje van mijn tong af.

“Dank je wel, fijn dat jullie er zijn voor de mensen. Ik red me wel.”

“Mooi,” zegt hij en spoedt zich naar de volgende reiziger.

In Den Haag moet ik optreden bij een opening met het kortste gedicht dat ik ooit schreef, het duurt nog geen dertig seconden.

“Vond je het een lastige opdracht,” vraagt een mede-dichter.

“Nogal,” zeg ik, “kort is lastig voor iemand zoals ik die zich snel verliest in lange verhalen.”

Hij citeert theoloog en filosoof Blaise Pascal: “Ik schrijf je een lange brief want ik heb geen tijd voor een korte.” Ja, zo is het ook met mij en gedichten, denk ik.

Aan het einde van de opening, tijdens een rondleiding door het museum roept een stralende vrouw uit: “Wat zijn we allemaal blij hè. We zijn zo blij hier te zijn!”

En ik denk aan de eerste zin van het gedicht dat ik zojuist heb voorgedragen.

‘Als ik mijn tijdelijkheid naast jouw tijdelijkheid leg
dan hebben we twee keer zoveel hart
dat twee keer zo hard zal slaan.’

Hoe mooi zou dat zijn, dat je even je hart naast dat van een ander kan leggen zodat het wat hartstochtelijker slaat. Zodat het wat meer kan meedansen op het ritme van het leven.

“Prachtige jas,” zegt een meisje in de trein. “Dank je wel,” zeg ik en we lachen naar elkaar.

Het laatste stukje naar huis op de fiets dwarrelt een tiener met haar witte, wollige hond op de wind voorbij. Hij houdt de riem in zijn bek, hij lijkt haar uit te laten.

“Wat zijn jullie mooi samen,” zeg ik.

“Dank je wel,” zegt ze en we lachen naar elkaar.

Spokenwordartiest, schrijver en docent Babs Gons maakt ons deelgenoot van haar belevenissen. Lees al haar columns hier terug.

Reageren? b.gons@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden