Opinie

'Wat krijgen we nou? Gerrit wel en Jan niet?!'

Wat maakt blij of irriteert in Amsterdam? Een serie over de (on)genoegens van de stad. Vandaag Erik Voermans over een ongelooflijke omissie hier ter stede.

'Men kwam woorden tekort om zijn status te onderstrepen' Beeld Mike Ottink

Deventer heeft een Sweelinckstraat. Natuurlijk, want in die plaats werd Jan Pieterszoon Sweelinck, de grootste componist en organist die Nederland ooit heeft gehad, in 1562 geboren. In Arnhem, Vlaardingen en Losser (Twente) werd hij niet geboren. Toch hebben ze ook daar een Sweelinckstraat.

In Rotterdam, Tilburg en Hilversum hebben ze het met meer chic aangepakt. Daar kreeg Jan Pieterszoon Sweelinck een laan.
Den Haag, Zwolle, Axel, Dordrecht en Heemstede hebben een Swee­linckplein.

Uithoorn heeft een Jan Pieterszoon Sweelinckweg en Veenendaal een Sweelinckdreef. In Zwijndrecht en Almere heb je huizen aan het Sweelinckplatsoen. En in Boxmeer bestaat een adres dat alleen Sweelinck heet.

"Waar woon je?"
"Ik weun op de Sweelinck." (Want zo zeggen ze dat daar ongeveer.)
Maar we dwalen af.

Stadsorganist
Jan Pieterszoon Sweelinck was de oudste zoon van Pieter Swibbertszoon en Elgen Sweelinck. Merk op dat Jan Pieterszoon de achternaam kreeg van zijn moeder (de dochter van een notabele, de Deventer stadschirurgijn Johan Henrickszoon Sweelinck) en niet van zijn vader, die organist was.

Dat gebeurde omdat zijn vader de zoon was van een bastaard, zoals dat toen heette, namelijk van de rooms-katholieke priester Swibbert van Keyserswerth en diens bijslaap Wibbe Moring.

Swibbert van Keyserswerth was naast priester ook organist van de Sint Lebuïnuskathedraal, tegenwoordig de Grote of Lebuïnuskerk in Deventer. Het orgelspelen zat Jan Pieterszoon dus via vader en grootvader in de genen.

In 1564 verhuisden Pieter Swibbertszoon, Elgen Sweelinck en de peuter Jan Pieterszoon naar Amsterdam, omdat vader een betrekking als organist aan de Oude Kerk had gekregen. Die functie vervulde hij tot zijn veel te vroege dood in 1573.

Stadsorganist tot aan zijn dood
Jan Pieterszoon was zo'n ongelooflijk muzikaal talent dat hij vier jaar na de dood van zijn vader diens positie kon innemen; eerst officieus, omdat hij als vijftienjarige nog te jong was, later officieel, als stadsorganist. Hij behield die functie tot aan zijn dood in 1621, op zijn 59ste.

Vierenveertig jaar lang was hij de organist van de Oude Kerk. Zijn roem was ontzagwekkend. Zijn leerling Heinrich Scheidemann gaf later les aan Reincken en Buxtehude, die allebei van grote invloed zijn geweest op Johann Sebastian Bach.

Erik Voermans is journalist bij Het Parool Beeld Linda Stulic

Het is dus geenszins overdreven te beweren dat Sweelinck een centrale figuur was in het ­Europese muziekleven van zijn tijd, hoewel hij zelf niet reisde. Ze kwamen allemaal naar hém, naar Amsterdam, en lang niet de minsten, vanuit Duitsland (Samuel Scheidt, Scheidemann), en Engeland (Orlando Gibbons).

Sweelinck werd begraven in de kerk die hij zo lang had gediend. 'Ter Vereerende Nagedachtenis aan den Nederlandschen Grootmeester van het Orgel', staat op de gedenkplaat in de Oude Kerk. Vondel schreef dit epitaaf: Dits Sweelinck's sterfelyk deel, ten troost ons nagebleven/
't Ontsterfelyk hout de maet by Godt in 't eeuwig leven/ Daer streckt hy, meer dan hier omvatten ons gehoor/ Een goddlycke galm in aller Enghlen oor.

Gigant
Men kwam woorden tekort om zijn status te onderstrepen. 'Den aldercloecksten ende constichsten Organist deser eeuw' was heengegaan, die het 'weerdigh' was 'een Prince der Musijcken genoemt te worden'.
Amsterdam, en daarmee Nederland, had in de persoon van Sweelinck dus een gigant in huis. En Nederland eerde die grootheid op Nederlandse wijze. Sweelinck kwam in 1935 terecht op een zomerpostzegel (van twaalf cent, jawel) en in 1972 op het briefje van vijfentwintig gulden.

Maar hier ter stede laten ze het al sinds 1621 ongelooflijk afweten. Jan Pieterszoon Sweelinck, de Orpheus van Amsterdam, weet in de stad die hij bekend maakte in de internationale muziekwereld nog steeds geen straatnaam naar hem vernoemd.

Want die Eerste en Tweede Sweelinckstraat in Oud-Zuid horen bij zijn jongere broer, de kunstschilder Gerrit Pieterszoon, een soort tweederangs carravagist, die iedereen allang is vergeten (al maakte hij een mooi portret van Jan Pieterszoon).

Wat krijgen we nou?! Gerrit wel een straat en J.P. niet? Ondenkbaar. Burgemeester, grijp in!

Vrijdag ziet schrijfster Roxane van Iperen overal in de stad alternatieven voor haar eigen leven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden