Column

Was ik maar een prullenbak, denkt de brievenbus

James Worthy Beeld Agata Nowicka

Denkend aan Holland zie ik merkwaardig geplaatste brievenbussen. Voor een kerk of op een bruggetje. De kerk staat in het midden van het dorp en is door iedereen verlaten behalve door God zelf.

Hij of Zij kijkt door het glas-in-loodraam naar buiten. Rustig. Met de verheven duimen draaiend. Hij of Zij wacht geduldig af tot het dorp hem of haar weer nodig heeft en zal tot die tijd dutjes in de kerkbankjes blijven doen. God heeft geen haast.

Voor de kerk staat een brievenbus. Twee grijze poten met daarop een oranje lichaam, waarin twee inwerpopeningen zitten die op ogen lijken. Het ding heeft veel weg van een robot. Dat is misschien nog wel het allermooiste aan brievenbussen. Het futuristische uiterlijk van iets wat als hopeloos ouderwets gezien wordt.

In het volgende dorp staat de brievenbus op een brug. Naast de brievenbus staat een prullenbak. De prullenbak wordt tegenwoordig vaker gebruikt dan de brievenbus. De brievenbus heeft het er maar moeilijk mee.

Soms hoopt hij dat de kinderen hun kleverige ijsverpakkingen in zijn gleuven proppen of dat de mensen hun opgerookte sigaretten bij hem naar binnen gooien, maar het is net of hij niet bestaat. Alsof de digitale revolutie een onzichtbaarheidskleedje over hem heen heeft gelegd.

Drie dorpen verderop staat de brievenbus voor een huis. Het is het huis van de familie Naaktgeboren. Op de dag dat hij werd geplaatst, heette meneer Naaktgeboren hem welkom in de familie, maar de brievenbus heeft zich nooit echt een volwaardig familielid gevoeld.

Voordat hij voor hun huis stond, hadden de dorpsbewoners geen hoge pet op van de familie Naaktgeboren, maar zijn komst maakte van het doorsnee Noord-Hollandse gezin een gezin met een brievenbus.

De brievenbus kan vanaf zijn plek het hele dorp zien. In de verte staat een circustent op een parkeerplaats. Hij ziet de alleenstaande moeders in de rij staan. Met in de ene hand een telefoon en in de andere hand een sigaret.

Een man in een clownskostuum geeft ballonnen aan de kinderen, maar de kinderen willen geen ballon, nee, ze willen het mobieltje van hun moeder, zodat ze Brandweerman Sam kunnen kijken op Netflix. De brievenbus kijkt naar de grote tros ballonnen. Nu weten de ballonnen ook eens hoe brievenbussen zich voelen, denkt hij.

Naast de parkeerplaats ligt een basketbalveldje. Het betonnen veldje wordt zo weinig gebruikt dat er inmiddels gras op groeit. De twee basketbalringen hangen loodrecht tegenover elkaar. Ze haten hun leven. Ze worden nooit meer aangeraakt, ja, soms schrijft een jonge­tje met een beugel scheldwoorden op hun palen, maar dat is geen sport. Het basketbalveldje wil zichzelf het liefste keihard de grond in dunken.

De brievenbus kijkt de tuin in van de overburen. Op de keukendeur hangt een 'Hier waak ik'-bordje, maar de hond die daar ooit waakte, is al elf jaar dood. Die ligt in de tuin, onder de waslijn die ooit een waslijn was.

Aan de andere kant van het dorp ligt een parkje. In het parkje staat een bankje dat precies op de plek staat waar niemand ooit zou willen zitten. Het staat vol in de schaduw en onder een boom waarin alle vogels van Nederland die buikloop hebben zich elke morgen lijken te verzamelen. Was ik maar een brievenbus, denkt het bankje.

Was ik maar een prullenbak, denkt de brievenbus.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden